Het schrale leven zonder iemand

Rob van Essen: Het jaar waarin mijn vader stierf. Atlas, 286 blz. € 18,50

Van alle redenen waarom een recensent een boek met de titel Het jaar waarin mijn vader stierf zes maanden op zijn nachtkastje kan laten liggen is de plotselinge dood van een ouder zonder meer de verdrietigste. Ik was halverwege Rob van Essens dagboek over 2003 toen mijn moeder stierf, legde het weg en pakte het pas vorige week weer op.

Daarmee werd het lezen haast een literair-psychologisch experiment: verandert dit boek als je ineens je afstand tot het onderwerp verliest? Wordt het aangrijpender, wordt het mooier, wordt het beter? Of blijkt juist dat de auteur er eigenlijk niets van begrepen heeft? Dat wat je eerst mooi vond, een cliché blijkt, een loze observatie?

Dat er op deze plaats nu alsnog een bespreking staat, verraadt al dat het tweede niet het geval was. Maar ook de eerste aanname blijkt niet te kloppen: Het jaar waarin mijn vader stierf wordt niet aangrijpender wanneer je moeder sterft. Niet omdat er geen mooie passages over dat sterven instaan. Zo schrijft Van Essen een paar dagen voor het einde over zijn vader: ‘Niet happend naar adem, het lijkt eerder alsof er toevallig nog wat lucht bij hem naar binnen gaat, uit gewoonte – maar dan een gewoonte van de lucht, niet van hem.’ Dat stervensproces – het hart van de 79-jarige vader is versleten en hij gaat in de loop der maanden van stok naar rollator naar rolstoel naar bed – is echter niet waar het Van Essen om te doen is. Het gaat hem om de vader zelf, om zichzelf en om zijn schrijverschap.

Dat schrijverschap van Rob van Essen (1961) heeft de afgelopen tien jaar geleid tot een aantal enigszins voorzichtige, maar verrassend veellagige romans, waarvan de duivelsgeschiedenis Kwade dagen (2002) en de muzikale liefdesgeschiedenis Engeland is gesloten (2004) de laatste twee waren. In zijn romans komt Van Essen (die ook werkt als vertaler) naar voren als een aangenaam serieuze schrijver, een harde werker die niet per se schaterend door het leven gaat. Dat beeld wordt bevestigd in Het jaar waarin mijn vader stierf. Duidelijk wordt ook dat Van Essen het allemaal niet van een vreemde heeft: zijn vader G. van Essen was niet alleen onderwijzer, maar ook schrijver van tientallen kindertoneelstukken en -boeken van stevig gereformeerde snit. Met uitzondering van de boeken uit een mysterieus goddeloos intermezzo, waar de ongelovige zoon het fijne maar niet van te weten kan komen.

In de loop van het jaar zet Van Essen zijn gedachten over zijn vader op een rij, leest hij diens boeken en probeert hij de man te begrijpen. Wat hem uiteraard alleen maar lukt door hem met zichzelf te vergelijken. Veelal gaat het daarbij om thema’s als persoonlijke moed, literaire ambitie, professionaliteit en amateurisme, stad en platteland. Waar in het begin de zoon nog vooral denkt aan de miskenning die hem van zijn vader ten deel is gevallen (hij was hoe dan ook de zondige Amsterdammer), gaat hij later steeds meer zijn eigen oordelen over zijn vader kritisch onder de loep nemen. Gelukkig zonder te vervallen in verheerlijking van bijvoorbeeld diens literaire werk. Zoals hij tegen het eind wel schrijft te genieten van het verzorgen van zijn vader (‘Jammer dat hij maar tien vingers en tien tenen heeft, ik had graag de hele middag geknipt en gevijld. We hadden er muziek bij op kunnen zetten’), maar hij herinnert zich óók de jarenlange gebreken van hun communicatie.

Veel schrijversdagboeken gaan ten onder aan het genoegen dat de auteurs erin scheppen om iets, veel of alles van zichzelf te laten zien. Daar heeft Het jaar waarin mijn vader stierf geen last van. Van Essen laat ergens de term ‘gegeneerd autobiografisch’ vallen en dat is precies hoe hij schrijft: af en toe benoemt hij plotseling iets wat in het grootste deel van het dagboek verborgen blijft achter fietstochtjes, natuurbeschrijvingen, tentoonstellingsbezoeken en jeugdherinneringen. Zinnen als ‘De schraalheid van het leven zonder iemand’ of passages als die waarin Van Essen net te laat bij de apotheek komt om zijn antidepressiva te halen. Je voelt dat hij het liever zou verzwijgen of vermommen, maar dat hij vindt dat hij ook dat moet benoemen. Die zichtbare twijfel tussen openbaar maken en privé houden, maakt Van Essen tot een bij uitstek boeiende dagboekschrijver.

Dat komt het beste tot zijn recht wanneer hij zichzelf toespreekt over zijn schrijfwerk en dus over datgene wat hij deelde met zijn vader. Dat kan met zelfspot zijn (‘Vandaag lukt het schrijven weer. Een writer’s block van twee dagen, dat valt te overzien’) of bijna bezwerend: ‘Niet vergeten: je bent gelukkig geweest als je schreef. Het laat zich niet vastleggen, het laat zich zelfs nauwelijks herinneren, maar dat maakt het niet minder reëel.’