Herr Mispelbaum

In een hotel in het Noordduitse Kiel vindt een literaire avond plaats. Een kleine, magere man met een dun aktentasje en rechtopstaand haar vlucht opeens naar buiten. Wat is er met Herr Mispelbaum?

Op uitnodiging van het Literaturhaus Schleswig-Holstein mag ik in een paar Noord-Duitse steden uit mijn werk voorlezen. Mijn man en ik zijn ingekwartierd in Kiel, maar vandaag moeten we in het stadje Plön zijn. Plön is een beeldschoon schiereilandje te midden van vijf of zes in elkaar overvloeiende meren, is ons verteld, maar bij aankomst klettert de regen zo hard neer dat je geen hand voor ogen ziet en nauwelijks weet of je met je voeten op de middeleeuwse keien staat of in een van die meren. Zo zien we weinig méér van het stadje dan het slot waarin de lezing plaatsvindt. In het prachtig gerestaureerde Prinzenhaus lees ik, op doorweekte suède laarzen, in een verfijnd geel-wit gedecoreerd, geheel rond zaaltje voor aan de moedigen die hiernaartoe hebben durven komen. Het is of we met z’n allen in een vorstelijke koektrommel gestopt zijn. Buiten woedt de wolkbreuk onverminderd verder.

’s Avonds, terug in Kiel, trekken we droge schoenen aan en besluiten in het hotel nog een hapje te eten. De eetzaal hier ziet uit op Kiels grootste attractie: de fjord waaraan de stad ligt, de Förde. We eten Krabbensuppe en frischen, gebackenen Ziegenkäse en kijken naar de leigrijze marineschepen in de fjord. Er valt nog slechts wat motregen, waar de lichten van de schepen en de vuurtorens aan de Kielerbocht, in de verte, moeiteloos doorheen pinkelen.

Ik zit met mijn rug naar een wandje dat blijkbaar nogal dun is, want achter me klinkt voortdurend een mannen- of vrouwenstem door een microfoon, afgewisseld door applaus van twintig of dertig toehoorders en eenmaal het ijle geluid van een dwarsfluit. Wat er gezegd wordt is niet te verstaan, maar soms herken je de kadans van een gedicht. Gelachen wordt er niet. Mijn man herinnert zich nu dat hij in de hotelfoyer een aankondiging heeft zien hangen van een literaire avond met Schleswiger en Holsteiner schrijvers en dichters. Men draagt de letteren een warm hart toe in deze contreien.

Plotseling vliegt er achter mij een deur open, die gelijk weer dichtgesmeten wordt, en een kleine, magere man in lichtgrijs zomerpak haast zich met verbeten kaken langs ons tafeltje heen de eetzaal door, een dun aktentasje onder de arm geklemd. Zijn haar staat zonder gel recht overeind, alsof hij aan iets afgrijselijks is ontsnapt. Iedereen kijkt op. Een paar seconden later gaat de deur opnieuw open en nu komt er een zwaarlijvige man in hemdsmouwen uit tevoorschijn die roept: „Herr Mispelbaum!”

Herr Mispelbaum is echter al bij de trap naar boven, springt deze kwiek en zonder enige reactie op en verdwijnt uit zicht. De man in hemdsmouwen ploegt de eetzaal door alsof het een aardappelveld is en beklimt eveneens de trap. Maar hij heeft de deur achter zich laten openstaan en de hele eetzaal kijkt nu achterom of er soms nog iemand achteraankomt. Uit het zaaltje waar je nu binnen kunt kijken, klinkt geroezemoes. Ook daar zitten ze achterom te kijken, naar ons. Vrijwel gelijktijdig grijpen een ober aan onze kant en een functionaris aan de andere kant in en sluiten de deur. De ober blijft nog een minuutje voor de deur staan als een politieagent die het gerechtshof tegen de opdringende maten van een gedaagde moet bewaken.

„Ze snappen zijn werk niet”, zeg ik tegen mijn man. „Hij houdt het niet meer uit bij die onbenullen.”

„Misschien is hij van plagiaat beschuldigd.”

„Of zijn ex-geliefde bleek in het publiek te zitten.”

„En die stond op om te zeggen dat zíj het allemaal geschreven had.”

We overwegen nog een paar mogelijkheden. Na na een minuut of tien zie ik de zware man in hemdsmouwen de trap weer afdalen, Herr Mispelbaum in zijn kielzog. Diens haar staat nog steeds overeind en hij drukt het aktentasje tegen de borst, maar buigt onderaan de trap gewillig mee rechtsaf, een zijvleugeltje van het restaurant in, waar ik hem niet meer kan zien.

Na een poosje horen we declamatie noch applaus meer en ook het afsluitende dwarsfluitnummer heeft al geklonken. Net als we willen vertrekken, gaat de tussendeur van het zaaltje weer open en nemen een aantal dames en heren met mapjes vol papieren in de hand afscheid van elkaar. Eén vrouw draagt een fluit-etui. Het publiek is kennelijk door een andere uitgang weggegaan. Het groepje loopt door de eetzaal en aarzelt even onderaan de trap, tot de man in hemdsmouwen op hen toesnelt. Ook met hem worden handen geschud en men bedankt elkaar wederzijds „recht herzlich”. Langs hem heen kijkt het groepje terloops de zijvleugel in.

Wij zijn nu eveneens bij de trap gekomen en horen de oudste schrijver van de groep, een man in een corduroybroek met het kruis op de knieën, brommerig zeggen: „Der..., der kann nicht ohne Theater.”

Met zijn rug naar iedereen toe zit Herr Mispelbaum in de zijvleugel. Hij is het best gekleed van allen, heeft net een kelkje naar zijn lippen gebracht en er staat ook bier voor hem. Hij staart onaangedaan over de nevelige Förde. Ik houd het toch op onbegrip voor zijn werk.