Had hij bindingsangst?

Carla Bogaards: Jan Sierhuis, een leven voor de schilderkunst. Nieuw Amsterdam, 224 blz. € 15,95

In Amsterdamse schilderskringen staat Jan Sierhuis bekend als een man vol verhalen. De 77-jarige schilder heeft alles en iedereen meegemaakt en schijnt daar smakelijk over te kunnen vertellen. In ruim zestig jaar heeft hij bovendien een flink oeuvre bij elkaar geschilderd, waarover nog te weinig is geschreven. Het was dus goed nieuws dat er van hem een biografie op basis van interviews verscheen: in zo’n boek hoop je belangrijke informatie uit de eerste hand te vinden.

Het slechte nieuws is dat Sierhuis’ memoires zijn opgetekend door de dichteres Carla Bogaards. Om te beginnen drukt ze zich vaak erg onbeholpen uit. Ze schrijft bijvoorbeeld: ‘Opgeteld bij zijn niet erg florissante jeugd, zou de uitkomst van de som van deze twee negatieve elementen kunnen zijn dat het met de kleine Jan Sierhuis slecht zou zijn afgelopen.’ En: ‘Jan lacht als het ware in zijn vuistje, maar wel hardop.’ Tegen het einde van haar verslag schrijft ze als een braaf schoolmeisje: ‘Het wordt de hoogste tijd dat we onze gesprekken over zijn leven gaan afsluiten.’

Op de website van de ambitieuze uitgeverij Nieuw Amsterdam wordt met veel aplomb een tiental uitgevers en redacteuren gepresenteerd: waarom heeft geen van hen de onhandige en langdradige zinnen van Bogaards een beetje rechter getrokken? Waarom heeft bovendien niemand de schilder ‘Otto Diks’ een x gegeven en ‘Eduard Monet’ veranderd in Claude Monet of Eduard Manet? Uit de context – het gaat over Sierhuis’ inspiratiebronnen – is trouwens niet op te maken of Monet of Manet bedoeld wordt, en dat is veelzeggend.

Bogaards vraagt niet door als het om schilderkunst gaat. Sierhuis’ werk noemt ze ‘zeer fris van kleur’ of ‘adembenemend mooi’, maar ze is vooral geïnteresseerd in het journalistieke cliché van de mens achter de kunstenaar. Het meest stuitende aan haar boek is de ongegeneerde gretigheid waarmee ze naar ’s mans diepste gevoelens graaft. ‘Ik vraag of hij altijd moest huilen in dat verzorgingshuis’, staat er als Sierhuis vertelt over het tehuis waar hij als kind een poosje verbleef. In verband met de vele korte relaties die aan zijn huwelijk vooraf gingen vraagt Bogaards zich af: ‘Had hij voor die tijd misschien bindingsangst?’ En als hij dan toch gelukkig getrouwd is, suggereert ze ‘dat zijn hang naar het gezinsleven voortkomt uit het feit dat hij dat zelf nooit gehad heeft. […] Nogal afstandelijk beweert Jan dat hij dat echt niet weet.’

Zo gaat het vaak: Bogaards vraagt of suggereert iets en Sierhuis gaat er niet of nauwelijks op in. De lezer begrijpt al gauw dat haar vragen niet aan hem besteed zijn, dat ze als interviewer op een dood spoor zit, maar Bogaards lijkt zelf te geloven dat Sierhuis in verlegenheid wordt gebracht door haar vlijmscherpe analyses.

Dat hij zo vaak niets zegt, zegt volgens haar genoeg. Echt tenenkrommend wordt het als Sierhuis zegt Edvard Munch te bewonderen omdat die zo overtuigend angstige gezichten kon schilderen. ‘Ik kijk Jan aan,’ begint Bogaards dan met de gebruikelijke omhaal, ‘buig me naar hem toe en zeg dat dit aansluit bij wat hij in de oorlog heeft meegemaakt. “Nou, zo heb ik dat nooit…” Nee, maar dat zeg ík nu.’

Bogaards’ vermoeiende verteltrant en verkeerde vragen zouden niet onoverkomelijk zijn als je desondanks iets over Sierhuis te weten kwam. Een goed verhaal kan veel hebben. Maar ze is niet dienstbaar aan zijn herinneringen. Met haar obligate psychologische interpretaties en roddelbladachtige toon (‘Dank je wel dat je dat wilde vertellen, zeg ik. Jan knikt even.’) gaat ze steeds breeduit tussen hem en de lezer in staan. In plaats van begrip of waardering voor Sierhuis roept het boek dan ook alleen maar weerzin tegen zijn biografe op.