En wat krijg je dan? Een blauwe aardappel

Je verlaat je warme, met palmbomen beplante land. Je leert de Nederlandse taal, met al zijn zwakke werkwoorden en pannenkoeken en g-klanken. Je leert fietsen, met tegenwind en lelijke regenponcho’s aan. En dan word je eindelijk genaturaliseerd tot Nederlander. En wat krijg je dan? Een blauwe aardappel van steen.

Ja, het is echt waar. Gisteren, bij de Grote Gezellige Naturalisatiedag der Nederlandse Taal, of hoe die dag ook mag heten, kregen de driehonderdvijftig pas-genaturaliseerden die zich in Amsterdam in een zaal hadden gemeld, allemaal een blauwe aardappel van steen. Als symbool voor, nou, Nederland, vermoed ik. Een vrouw uit Guinee, die ik na de ceremonie sprak, hield de aardappel omhoog en vroeg: „Wat is dit eigenlijk?” Ik zei: „Dat is een blauwe aardappel van steen.”

Gelukkig waren er ook taartjes, en een steelband, en Job Cohen. Job Cohen, zo bleek, verkeert in de veronderstelling dat mensen zich tot Nederlander laten naturaliseren omdat ze dan de Nederlandse politiek in kunnen. „U kunt in de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, het Europees Parlement, in een overheidsfunctie, u kunt burgemeester worden.” Hij gíng maar door met het opnoemen van politieke functies die de pas-genaturaliseerden zouden kunnen gaan bekleden. Zij keken hem glazig aan. Heb ik net dat paspoort, moet ik alweer een splinterpartij gaan oprichten, zag je ze denken.

Cohen sloot af met twee tips. „Kijk uit naar vrijwilligerswerk, en vraag aan een oude buurman hoe het met hem gaat.” Oude buurmannen: jullie zijn gewaarschuwd.

Na deze gouden tips zong een Surinaamse bariton het Wilhelmus. Met operastem. En dan klinkt het Wilhelmus, dat ik alleen ken als playbackliedje voor voetballers of als mompellied op 4 mei, ineens héél anders. Dus mocht je op 4 mei iemand de operaversie van het Wilhelmus horen zingen, dan is diegene waarschijnlijk net genaturaliseerd.

Aan het eind mochten drie pas-genaturaliseerden bij Sinterklaas, pardon, Job Cohen komen om te vertellen waarom zij in Nederland waren komen wonen. Wat is dat voor vraag? En waarom moet je dat op een podium aan een burgemeester vertellen, die je vervolgens een blauwe aardappel geeft? Ze deden het toch. Een van hen, een Indonesiër, zenuwachtig en hysterisch en blij en in pak, riep: „Nou ben ik hier, en ik wíl Nederland, en nu bén ik Nederlander.” En toen moest ik toch nog huilen.