En voor het eten weer thuis

Een Israëlische historicus rekent af met de mythe dat de nederzettingenpolitiek van Israël een uitvinding van ‘rechts’ was. Er was brede steun voor het annexeren van Palestijns gebied – met alle gevolgen van dien.

Gershom Gorenberg: The Accidental Empire. Israel and the Birth of the Settlements, 1967-1977. Oxford University Press, 446 blz. € 28,64

De recente oorlog in Libanon heeft weer pijnlijk duidelijk gemaakt dat dit land is gegijzeld door Hezbollah. De regering Siniora is immers niet in staat gebleken deze terroristische organisatie te ontwapenen, zoals geëist in de in 2004 aangenomen resolutie 1559 van de Veiligheidsraad van de VN. De prijs die het land en zijn bevolking moeten betalen voor die onmacht is verschrikkelijk. Met de beelden van dood en verwoesting nog vers op het netvlies, is het moeilijk om met een koel en helder hoofd te analyseren hoe het zo ver heeft kunnen komen.

Hoewel The Accidental Empire gaat over de nasleep van de Zesdaagse oorlog van 1967, is het ook voor de huidige crisis buitengewoon verhelderend. De historicus Gershom Gorenberg heeft met uiterste precisie in kaart gebracht hoe de overwinning van 1967 leidde tot ontwrichting van de jonge staat door de besluiteloosheid van de regering, die ruimte schiep voor eigenmachtig optreden van politici, maar vooral voor de opkomst van Gush Emonim. Net als Hezbollah zou Gush Emonim, de partij van religieuze zionisten die de ideologische motor is achter de kolonisatie van de bezette gebieden, zich ontwikkelen tot een staat in de staat, die op beslissende momenten meer invloed op de toekomst van Israël zou krijgen dan de gekozen volksvertegenwoordiging.

Door de onverwachte overwinning in de Zesdaagse oorlog in juni 1967 kwamen grote delen van Jordanië, Egypte en de strategisch gelegen Syrische Golan-Hoogte in Israëlische handen. Al meteen in de euforie van de overwinning, bleek dat iedereen zo zijn eigen agenda had met de ‘gebieden’ zoals het bezette gebied al gauw eufemistisch heette. Slechts een kleine minderheid onder de politici wees het vestigen van nederzettingen in bezet gebied – in wat voor vorm dan ook – af.

De Israëlische regering onder leiding van de aartstwijfelaar Levi Eshkol kondigde meteen na de wapenstilstand aan dat er alleen over teruggave van de in de oorlog ‘veroverde’ gebieden te praten viel in het kader van erkenning van en vrede met Israël door Egypte, Jordanië en Syrië. Via geheime diplomatieke kanalen liet Koning Hoessein van Jordanië al vrij snel weten wel te willen praten. De Arabische top in Khartoum maakte echter datzelfde jaar met de beruchte ‘Drie maal nee’-verklaring (‘nee’ tegen directe onderhandelingen, erkenning en vrede) een einde aan deze eerste opening in de Arabische muur van afwijzing.

Maar ook aan Israëlische kant waren er, al vóór de top in Khartoum, politici en anderen die de bezette gebieden niet als een troef zagen om uiteindelijk vrede met de omringende landen te kunnen afdwingen, maar – om uiteenlopende redenen – als een welkome gebiedsuitbreiding voor Israël dan wel als de ‘bevrijding’ van het bijbelse en historische Israël, dat zich inderdaad voornamelijk op de westelijke Jordaanoever had bevonden.

De ‘Groot-Israël’-ideologie was beslist niet het monopolie van rechts: ook de toen nog invloedrijke, maar al aan kracht inboetende kibboetsbeweging telde vele ‘maximalisten’, zoals zij toen werden genoemd, evenals de Mapai, de sociaal-democratische partij. Moshe Dayan, de legendarische generaal die in drie dagen de gehele Sinaï veroverde, was voorstander van ‘goedaardige’ kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever. Hij zag een kolonie voor zich, die ‘zo dicht bij huis was dat je er voor de lunch naar toe kon gaan (of om archeologische voorwerpen te stelen) en voor het avondeten weer thuis kon zijn’, schrijft Gorenberg, verwijzend naar Dayans hobby, archeologie.

Wild West

Het oude zionisme van voor de oprichting van de staat Israel, was inmiddels geromantiseerd tot een soort Wild West legende, waarin de vestiging van illegale nederzettingen een centrale rol speelde. Maar dat verklaart maar ten dele waarom Eshkol een notitie van zijn juridisch adviseur, dat het vestigen van nederzettingen in bezet gebied verboden was door de Vierde Geneefse Conventie, negeerde en oogluikend toestond dat zijn eigen ministers en activisten uit de kibboetsbeweging vrijwel meteen begonnen nederzettingen te vestigen in de Golan, gemaskeerd als ‘militaire voorposten’.

De eerste nederzettingen in de Golan en op de Westelijke Jordaanoever werden gevestigd op plaatsen waar voor 1948 kibboetsim waren geweest, die tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog veroverd waren door Arabische legers en waarvan de bewoners waren afgeslacht. Vanuit de overlevenden, van wie er slechts weinigen aan dit nieuwe avontuur deelnamen, was de wens om terug te keren begrijpelijk. Dat neemt niet weg dat zij zich tevens lieten gebruiken als pionnen in de strategie van de voorstanders van inlijving van de bezette gebieden.

Yigal Allon, toen minister van Arbeid, was van mening dat strategisch belangrijke delen van de West Bank, de Golan-hoogte en Gaza bij Israël gevoegd moesten worden, maar hij waarschuwde ervoor om nederzettingen te stichten in dichtbevolkte Palestijnse gebieden. Dit zogeheten plan-Allon werd uiteindelijk min of meer officieel regeringsbeleid, al betekende dat niet dat nederzettingen die niet aan die voorwaarden voldeden, werden ontruimd. Of als dat wel gebeurde, was het niet meer dan symbolisch: de kolonisten werden veelal ondergebracht in een nabijgelegen militair kamp, van waaruit zij in de regel domweg begonnen te bouwen en eisten dat het leger hen zou beschermen.

Dit alles leidde ertoe dat in de eerste tien jaar na de Zesdaagse oorlog de Groene Lijn – de wapenstilstandsdemarcatie van 1948 – van de kaart werd geveegd (hij verdween ook uit de schoolboeken), dat het onderscheid tussen legaal en illegaal werd opgerekt en dat Gush Emonim – dat ontstond na de Jom Kipoeroorlog van 1973 – zonder al te veel tegenwerking van de regering zijn agenda kon uitvoeren.

Dunbevolkt

Een belangrijk deel van die agenda was om overal in bezet gebied joodse nederzettingen te vestigen en niet alleen in delen die dunbevolkt waren. De eerste stap was het vestigen van een illegale nederzetting bij Hebron, de stad van de Aartsvaders, waar in 1929 het grootste deel van de joodse bevolking was vermoord door hun Palestijnse buren. Met steun van Allon, die voor de gelegenheid zijn eigen plan negeerde en zo de extremistische rabbijn Moshe Levinger aan zijn eerste grote overwinning hielp.

Nu hadden Levinger en de zijnen, die uiteindelijk Gush Emonim zouden oprichten, het tij mee: de oude, seculiere kibboetsbeweging had veel van zijn elan verloren en de sociaal-democratische partijen, die Israël sedert de oprichting van de staat regeerden, waren verzwakt door onderlinge tegenstellingen. En nu, in de sfeer van de onverwachte militaire overwinning die velen deed geloven dat de tijd van de Masjiach (Messias) was aangebroken, grepen de religieuze nationalisten hun kans. Om de komst van de Verlosser nabij te brengen, dienden joden zich in het hele bijbelse Israël te vestigen. Terwijl de seculiere zionisten Tenach lazen als een geschiedenis- en aardrijkskundeboek, herinterpreteerde het bonte gezelschap van religieus extremisten en rechts-nationalisten het zionisme als een religie. Langzaam maar zeker zou het messianisme grote delen van de Israëlische bevolking en veel joden in de diaspora in zijn greep krijgen.

The Accidental Empire laat weinig heel van de mythe dat de nederzettingenpolitiek een rechtse uitvinding was. In de opwinding en euforie na de overwinning lieten vele vooraanstaande sociaal-democraten zich meeslepen door de Groot-Israël gedachte, zich niet realiserend dat zij krachten ontketenden die uiteindelijk een staat in de staat zouden gaan vormen en die Israël zouden meetrekken in een richting die het land steeds verder van vrede en van een oplossing van het conflict met de Palestijnen zou brengen.

Gorenberg concludeert terecht dat het Palestijnse nationalisme sterk werd aangewakkerd door de nederzettingen. In het bijzonder de nederzettingen die in dichtbevolkte gebieden verrezen, riepen al snel verzet op van de Palestijnse bevolking. De gewelddadige demonstraties en de toenemende terreuraanvallen van de PLO op hun beurt vormden weer een rechtvaardiging voor het bouwen van nog meer nederzettingen.

Minstens even erg is de schade die het ontstaan van de nederzettingen de jonge staat toebracht, aldus Gorenberg. Hij meent, met goede argumenten, dat het proces van consolidatie van de nieuwe staat werd omgekeerd door de nederzettingenbeweging en door de medewerking die deze kreeg van leden van de regering en dat de democratische structuur van de staat werd aangetast.

Ook hier is weer een spiegelbeeld zichtbaar, al vermeldt Gorenberg dat niet: de ontwrichting van de Palestijnse Autoriteit, net als Israël voortgekomen uit een groep onafhankelijkheidsstrijders, door Hamas en andere terreurgroepen die elke poging tot vrede of zelfs maar normalisatie wisten te torpederen.

The Accidental Empire is ontmoedigende lectuur, ook wat betreft de huidige situatie. Komt het ooit nog goed in het Midden-Oosten, of blijft het gebied een speelbal van lokale en globale krachten die over de hoofden van de lijdende bevolking hun politiek-militaire agenda trachten te bereiken?