Een gat in de markt

Bunker hill nr. 33. Thomas Rap, €4,50

Een half jaar geleden verscheen in deze krant een bespreking van Hans Hogenkamps debuutroman Excuses voor het ongemak, waarin Arjen Fortuin opmerkte dat het boek een antwoord leek op het gebrek aan ‘straatrumoer’ in onze literatuur. Kort daarvoor had Joost Zwagerman in zijn Kellendonk-lezing de literaire quarantaine van Nederlandse schrijvers gekapitteld. Hij kreeg weinig bijval voor zijn pleidooi voor meer engagement in de literatuur, wat jammer was voor Hogenkamp.

Dus stuurde de debutant een essay naar Bunker Hill, waarin hij – alsnog – de vloer aanveegt met schrijvers die weigeren naar de klachten over een vermeende quarantaine van de literatuur te luisteren. Veel jonge schrijvers missen volgens hem het vermogen ‘het autobiografische in voldoende mate te ontstijgen [...] Voor de oude garde in de literatuur, die de oorlog, de Watersnoodramp, de bezetting van het Maagdenhuis en de Nederlandse overwinningen op het Eurovisie Songfestival nog hebben meegemaakt, bij wie kortweg het de-eeuw-van-mijn-vader-gevoel door de aderen stroomt, is autobiografisch prima. Maar als je bent geboren tussen pakweg 1965 en 1980 en opgroeide in een rimpelloos verzorgingsstaatje, wordt het een probleem.’ Nederlandse schrijvers kunnen hun boeken volgens hem interessanter maken door ‘de actualiteit in hun werk te laten doorklinken’. Het succes van buitenlandse auteurs die dat ook doen bewijst dat hier ‘een niet te missen gat in de markt’ ligt.

Autobiografisch prima versus commercieel prima. Liggen zo uw problemen? Eerst maar eens een Nederlandse zin leren schrijven, zou ik zeggen.

Dan is het bijna een opluchting in datzelfde Bunker Hill om een interview met de pedante („Mulisch is een typische mulo-betweter”) Geerten Meijsing te lezen. Hij verdedigt juist autobiografische fictie: „Een roman die duidelijk verzonnen is, overtuigt niet. Daarom moet ik steeds meer van mijzelf geven en dieper gaan: dát is mijn worsteling.” Op de vraag of hij autobiografisch schrijft omdat dit ‘helemaal in’ is, antwoordt Meijsing: ,,Van wat ‘in’ is of niet, weet ik niets, behalve op het gebied van lingerie.’ Voor hem is de tegenstelling straatrumoer-autobiografische fictie niet relevant. „Een echte autobiografie is per definitie lückenhaft en gelogen. [...] Ik denk dat je iets geleefd, beleefd en doorleefd moet hebben om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Dat betekent allerminst dat daarom de ervaringen rechtstreeks worden weergegeven, want tussen de ervaringen en de roman zit een pijnlijk proces van afstand nemen; verwerking, bewerking en doorwerking.”

Het al dan niet autobiografische maar doorleefde verhaaltje ‘Zacht kwaad’ van Tommy Wieringa, waarin behalve wat gekakel van kippen geen enkel rumoer van buiten doorklinkt, bewijst Meijsings gelijk. Maar misschien overtuigt Wieringa gewoon omdat hij goed schrijft.