Een doodgewoon oorlogsverleden

Ook veel generatiegenoten van Grass waren betrokken bij de nazibeweging.

De Nobelprijswinnaar is stilistisch gezien is nog steeds onweerstaanbaar.

Kun je dit boek nog onbevangen lezen? Is het mogelijk om een literair-kritisch oordeel uit te spreken over het nu verschenen herinneringsboek van Günter Grass? Ja, het is zelfs meer dan wenselijk – want de opschudding die recent is ontstaan betreft slechts een kant van het boek. Dat de zeventienjarige Grass in de laatste fase van de oorlog soldaat was bij de Waffen-SS zal in toekomstige literatuurgeschiedenissen geen al te prominente plaats innemen.

Grass’ oorlogsverleden is niet uitzonderlijk voor een Duitser van zijn generatie, ook niet voor schrijvende Duitsers. Hans Magnus Enzensberger was ‘Pimpf’ (jongste rang) bij de Hitlerjugend, Günter de Bruyn en Rudolf Lorenzen stonden aan het front, en Martin Walser was eveneens bij de oorlog betrokken. Maar Grass heeft zijn faux pas verzwegen en hij maakte, hoewel kort, deel uit van de militaire organisatie met de meest omineuze klank – al hebben historici er nu op gewezen dat de Waffen-SS in de slotfase van de oorlog geen elite-eenheid meer was.

De gewraakte passages staan in het derde hoofdstuk van Grass’ autobiografie. Na enkele omtrekkende bewegingen schrijft hij, in een van de kortste zinnen van het hele boek: ‘Vast staat dat ik me vrijwillig voor de dienst met het wapen heb gemeld.’ Wat hierop volgt, en eigenlijk ook wat eraan voorafgaat, kan men niet anders uitleggen dan als één grote schuldbekentenis. Nederig en eloquent tegelijk buigt Grass het hoofd. Al in de openingsfragmenten is sprake van ‘de schande en de haar nahinkende schaamte’, op bladzijde 36 komt het woord ‘schuld’ drie keer voor.

Grass’ herinneringen bestrijken de periode 1939-1959. Het boek begint met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en eindigt met het verschijnen van Die Blechtrommel, de roman die hem op slag wereldberoemd maakte. Deze twee polen kenmerken ook de inhoud: de kritiekloze bewondering voor de nazi’s door de puber, en de latere ideologische verandering, alsmede de transformatie van alles wat hij meemaakte in literatuur. Naast veel meer is dit grote boek ook een portret van de kunstenaar als jongeman. Wie wil weten waar Grass de stof, motieven en figuren voor zijn romans vandaan haalde, leze deze memoires.

Grass geeft zijn boek bewust geen genreaanduiding. Een autobiografie is het dan ook maar ten dele, eerder zou je van een geromantiseerde biografie kunnen spreken – vooral de naoorlogse hoofdstukken bevatten diverse verhalende elementen. Maar het is ook een familieroman want hij voert niet alleen zijn beide vrouwen ten tonele (het hoofdstuk waarin hij zijn eerste vrouw de liefde verklaart is meesterlijk), ook over het reilen en zeilen van zijn kinderen en kleinkinderen brengt hij ons op de hoogte.

Grass beschrijft zichzelf met distantie, regelmatig in de derde persoon. Hij heeft het dan over ‘de jongen die blijkbaar ik was’, of ‘de jongen met mijn naam’. Maar over wie of waarover Grass ook schrijft, stilistisch is hij bijna altijd onweerstaanbaar. Hier is een van de grote barokke taalkunstenaars uit de literatuur van de laatste halve eeuw aan het woord.

Günter Grass: Beim Häuten der Zwiebel. Steidl Verlag, 480 blz. € 24,70

Een Nederlandse vertaling, ‘Bij het pellen van de ui’, door Jan Gielkes verschijnt eind februari bij Meulenhoff.