De kaasfonduekoning

Arjen Lubach: Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend. Meulenhoff, 250 blz. € 17,95.

Bijna vijftien jaar na Blauwe maandagen zijn de Arnon Grunberg-epigonen in de Nederlandse literatuur niet meer te tellen. Ieder jaar verschijnen er wel een paar debuten waarin de kenmerkende stijl van Grunberg, met zijn absurdistische logica en zijn licht-filosofische oneliners, de belangrijkste attractie is. En altijd zijn de navolgers minder indrukwekkend dan the real thing – zélfs in het geval van Marek van der Jagt, die een paar maanden na zijn debuut het alter ego van Grunberg zelf bleek.

Wie begint te lezen in Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend, het debuut van Arjen Lubach, zou kunnen denken dat Grunberg weer een nieuwe schuilnaam uitprobeert. De hoofdpersoon, een wereldvreemde tragikomische jongen die al jong wees is geworden en ‘het verhaal van zijn schuldgevoel’ probeert te schrijven, is een typische Grunberg-figuur, een broertje van de ik-figuur van De geschiedenis van mijn kaalheid. Ook zijn manier van formuleren komt ons bekend voor: over zijn vriendin Lotte zegt hij dat ze ‘de ballenjongen van mijn schuldgevoel’ is; haar vader ‘bestuurde zijn leven zoals er mensen zijn die de garagedeur proberen te openen met de gebruiksaanwijzing van een broodrooster’; en bij het roeren in de fondue noemt hij zich meteen ‘de kaasfonduekoning’.

Maar Lubach is Grunberg niet. Om te beginnen letterlijk: sommige mensen zullen hem kennen als cabaretier, of misschien als de radiomaker die vijf jaar geleden onder het pseudoniem Slimme Schemer een nummer-2-hit had met een parodie op het Eminem-nummer ‘Stan’. En daarnaast niet als literator. Zijn proza is af en toe wel érg kortademig. Het verhaal over Benjamin Dusarduyns ongelukkige jeugd en moedercomplex mist de spanning die Grunbergs oeuvre kenmerkt, en wordt tegen het einde zelfs een beetje saai. En het schuldgevoel waarvan Benjamin de mond vol heeft, wordt nergens invoelbaar, laat staan pregnant.

Dat wil niet zeggen dat Lubach niet kan schrijven. Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend bevat een paar prachtig melancholieke passages en ontlokt de lezer regelmatig een glimlach om de absurdistische observaties van Benjamin (‘Er zijn mensen die bijna alles aan het leven interessant vinden, maar ik heb besloten ergens een grens te trekken’). Maar een voldragen roman is het niet. Daarvoor is Benjamin als personage te oninteressant, en leunt het proza van Lubach te zwaar op dat van zijn grote voorbeeld.