De jongen die hij blijkbaar was

Günter Grass’ bekentenis over zijn lidmaatschap van de Waffen- SS maakte van zijn memoires wereldnieuws. Maar hoe zit het met zijn literaire kracht?

Günter Grass: Beim Häuten der Zwiebel. Steidl Verlag, 480 blz. € 24,70

Kun je dit boek nog onbevangen lezen? Is het mogelijk om een literair-kritisch oordeel uit te spreken over het nu verschenen herinneringsboek van Günter Grass? Ja, het kan, het is zelfs meer dan wenselijk – want de opschudding die recentelijk is ontstaan betreft slechts één kant van het boek. Dat de 17-jarige Grass in de laatste fase van de oorlog soldaat was bij de Waffen-SS zal in toekomstige literatuurgeschiedenissen geen al te prominente plaats innemen.

Günter Grass’ oorlogsverleden is niet uitzonderlijk voor een Duitser van zijn generatie, ook niet voor schrijvende Duitsers. Hans Magnus Enzensberger was Pimpf (jongste rang) bij de Hitlerjugend, Günter de Bruyn en Rudolf Lorenzen stonden aan het front, en Martin Walser was eveneens bij de oorlog betrokken. Maar Grass heeft zijn faux pas als 17-jarige verzwegen en hij maakte, hoewel kort, deel uit van de militaire organisatie met de meest omineuze klank – al hebben historici er nu op gewezen dat de Waffen-SS in de slotfase van de oorlog bepaald geen elite-eenheid meer was. De bekende Hamburgse historicus Bernd Wegner zei verleden week in Die Zeit over de commotie omtrent Grass: ‘Ik deel die opschudding niet. Ik geloof dat hier slechts sprake is van een betrekkelijk normale Duitse biografie met al haar tegenstrijdigheden en tweespalt.’

Opmerkelijk blijft natuurlijk de late biecht van Grass, en vooral de manier waarop deze plaatsvond: enkele weken voor het verschijnen van zijn boek in een interview met de Frankfurter Allgemeine. Dat sommigen hierin een reclamestunt van de schrijver hebben gezien – overigens niet voor het eerst in Grass’ loopbaan – is niet onbegrijpelijk. Maar ook de doorgaans respectabele krant speelde een twijfelachtige rol; van een opmerkelijk nieuwsfeit werd (opening op de voorpagina) een geweldig rumoer gemaakt. Interviewer en cultuurchef Frank Schirrmacher plaatste een foto waarop hij zelf prominenter in beeld was dan de Nobelprijswinnaar. Momenteel treedt deze om zijn geldingsdrang bekend staande journalist op als moderator bij voorleesavonden van Grass.

De gewraakte passages staan in het derde hoofdstuk van Grass’ autobiografie. Na enkele omtrekkende bewegingen schrijft hij, in een van de kortste zinnen van het hele boek: ‘Vast staat dat ik me vrijwillig voor de dienst met het wapen heb gemeld.’ Grass wilde ontsnappen aan het kleinburgerlijke milieu in Danzig, aan de tweekamerwoning waar hij steevast in de nacht van zaterdag op zondag het liefdesgefluister van zijn verwekkers moest horen. Het avontuur lokte, zo stelt hij. ‘In uniform trokken we blikken aan. Machtig puberterend versterkten we het thuisfront […] Eindelijk werden we serieus genomen.’

Grass noemt zich een ‘jonge nazi […] gelovig tot het einde. Niet bepaald fanatiek vooraan maar met een reflexachtig onwrikbare blik op de vlag […] Geen twijfel griefde het geloof, niets subversiefs, bijvoorbeeld het heimelijk doorgeven van vlugschriften, kan me ontlasten.’ Wat hierop volgt, en eigenlijk ook wat eraan voorafgaat, kan men niet anders uitleggen dan één grote schuldbekentenis. Nederig en eloquent tegelijk buigt Grass het hoofd. Meteen in de openingsfragmenten is sprake van ‘de schande en de haar nahinkende schaamte’, op bladzijde 36 komt het woord ‘schuld’ drie keer voor. Later, na de oorlog, als Grass in een kamp zit en geconfronteerd wordt met de eerste foto’s van de concentratiekampen, merkt hij op: ‘Er ging een tijd overheen voor ik langzamerhand begreep en me aarzelend toegaf dat ik onwetend of, preciezer, niet weten willend, betrokken was geweest bij een misdrijf dat met de jaren niet kleiner wordt, dat niet wil verjaren, waaraan ik nog steeds lijd.’

Grass’ herinneringen bestrijken de periode 1939-1959. Het boek begint met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en eindigt met het verschijnen van Die Blechtrommel, de roman die hem op slag wereldberoemd maakte. Deze twee polen kenmerken ook de inhoud: de kritiekloze bewondering voor de nazi’s door de puber, en de latere (niet geheel plotselinge) ideologische verandering, alsmede de transformatie van alles wat hij meemaakte in literatuur. Naast veel meer is dit grote boek ook een portret van de kunstenaar als jongeman. Wie wil weten waar Grass de stoffen, motieven en figuren voor zijn romans vandaan haalde, leze deze memoires. De door de nazi’s standrechtelijk geëxecuteerde ‘Onkel Franz’ uit Die Blechtrommel maakt zijn opwachting, evenals Jenny Brunies uit Hundejahre, de exentrieke leraar Latijn Stachnik uit Der Butt en vooral de onvergetelijke Joachim Mahlke uit Katz und Maus, het misschien wel mooiste werk van Grass.

Een aantal fragmenten uit het boek is onvergetelijk, en toont aan hoeveel de bijna 80-jarige Grass nog steeds in zijn mars heeft. In de opening beschrijft hij hoe hij als jonge armoedzaaier handig aan geld kwam door voor zijn ouders als schuldenincasseerder bij pofklanten te fungeren. Een magistraal hoogtepunt, ook in stilistisch opzicht, vormt het vijftig bladzijden tellende hoofdstuk ‘Mit Gästen zu Tisch’, dat handelt over een ‘abstracte kookcursus’ die de uitgehongerde Grass vlak na de oorlog volgde bij een uit Oost-Europa afkomstige, schitterend dialect sprekende meesterkok. Aangrijpend is het fragment ‘Er hiess Wirtunsowasnicht’ over een dienstweigeraar die onder geen beding een wapen wilde vastpakken, onder het steeds herhaalde motto ‘Wir tun sowas nicht’. De zegswijze van de jonge man, met wie het uiteraard slecht afliep, is Grass altijd in herinnering gebleven. Het werd voor hem een staande uitdrukking, ‘voor altijd citeerbaar.’

Grass geeft zijn boek bewust geen genreaanduiding. Een autobiografie is het dan ook maar ten dele, eerder zou je nog van een geromantiseerde biografie kunnen spreken – vooral de naoorlogse hoofdstukken bevatten diverse verhalende elementen. Maar je zou ook nog van een familieroman kunnen spreken want hij voert niet alleen zijn beide vrouwen ten tonele (het hoofdstuk waarin hij zijn eerste vrouw de liefde verklaart is meesterlijk), ook over het reilen en zeilen van kinderen en kleinkinderen worden we op de hoogte gehouden.

Zijn ouders beoordeelt hij hoogst tegenstrijdig. Met zijn vader, die al in 1936 lid werd van de Hitler-partij – toen in de vrijstaat Danzig de druk nog gering was – had hij een uiterst moeizame verhouding. Bij vlagen schijnt hij deze man hebben gehaat. Erg liefdevol is daarentegen het portret dat hij aan zijn moeder wijdt, een zachtmoedige en kunstminnende vrouw die na winkelsluiting graag piano speelde en die soms het theater bezocht. Moeder Grass, ‘de bezorgdste van alle moeders’, was trots op haar zoon, vooral als hij dromerig zat te lezen.

Grass beschrijft zichzelf met opvallende distantie, regelmatig ook in de derde persoon. Hij heeft het dan over ‘de jongen die blijkbaar ik was’, of ‘de jongen met mijn naam’. Soms voelt hij de knaap ‘grondig aan de tand’ of werpt hij een ‘nu eens milde, dan weer strenge blik op hem’. Af en toe is zijn toon aarzelend, tastend welhaast. Dat leidt tot constructies als: ‘Terugblikkend ziet het er als volgt uit…’, of: ‘Zo zie ik me in de achteruitkijkspiegel…’

Maar over wie of waarover Grass schrijft, stilistisch is hij bijna altijd onweerstaanbaar. Hier is een van de hele grote barokke taalkunstenaars uit de literatuur van de laatste halve eeuw aan het woord. Vaak prefereert hij de lange zin, die soms heel geconcentreerd en beeldend kan zijn en op prozalyriek lijkt. Andere delen zijn juist weer realistisch, hoewel ook daar bijna altijd met speciale effecten.

Natuurlijk moet je van zijn burleske toon en zijn soms wat platte humor houden. Het is niet ieders zaak, en soms ook wel een beetje te veel van het goede. Soms maakt zijn vitalisme (seks, eten en drinken) een geforceerde indruk. Ook sommige taaleigenaardigheden zoals de subjectloze zin (‘Weet ook niet hoe dat dorp heette’) of woordconstructies als ‘weetnietmeerwat’ zou je graag wat minder frequent willen lezen. Maar het moet gezegd: zelfs in zijn zwakke delen is Grass altijd nog beter dan het gros van zijn schrijvende tijdgenoten.

Na zoveel lof moet je als recensent een stapje opzij doen, en de meester nog één keer zelf aan het woord laten komen. Het gaat om een prozalyrisch fragment over de ui, het prachtige symbool uit de titel dat telkens terugkeert. Het pellen van een ui lijkt op het ophalen van herinneringen, en dat is niet altijd aangenaam.

‘De herinnering berust op herinneringen, die weer streven naar herinneringen. Zo lijkt ze op de ui, die met iedere wegvallende schil allang vergeten dingen blootlegt, tot op de melktanden van de vroegste kinderjaren; dan echter helpt de scherpte van een mes haar bij een ander doel: schil voor schil gehakt, roept ze tranen op, die de blik vertroebelen.’

Een Nederlandse vertaling (‘Bij het pellen van de ui’) van Jan Gielkes verschijnt eind febr. bij Meulenhoff.