Boet

Wij maken graag originele foto’s op onze vakantie, dus toen we in het Texelse dorpje Den Hoorn logeerden, slaakten we een zucht van verrukking bij het zien van het hervormde kerkje. Elke keer als we ons hotel aan de achterkant verlieten, zagen we het liggen, dat slanke witte torentje dat zo elegant zijn donkere spits boven de weilanden verheft. Camera!

Drie foto’s, het viel achteraf nog mee, en bovendien zéér geslaagd. Jammer alleen dat ik bij thuiskomst moest vernemen dat dit vermoedelijk „het meest gefotografeerde kerkje van Nederland” is. Wie durft dan nog zijn vakantiefoto’s aan iemand te laten zien? Ik niet. (Niemand moet trouwens ooit nog zijn vakantiefoto’s laten zien.)

Maar gelukkig heb ik de schapenboet nog – die doet niemand me na. Eerlijk gezegd wist ik niet wat een schapenboet was voordat ik er een op een schilderij zag. Ze zouden alleen op Texel voorkomen, werd me daar verzekerd, maar ik durf er geen al te zwaar vergif op in te nemen. Straks krijg ik een verdrietig mailtje van een lezeres uit Tzummarum: „Maar heeft u dan nooit van de schapenboet bij Tzummarum gehoord? En dat voor een columnist in een kwaliteitskrant!”

Toen ik er eenmaal op ging letten, zag ik op Texel meer schapenboeten. Oude en verweerde, gerestaureerde, hoge en lagere. Het zijn een beetje eenzame bouwsels, vooral als het waait en regent boven het weiland waarop ze staan. Voor mij als stadsmens waren het gewoon schuren, zoals meeuwen gewoon meeuwen zijn.

Mijn inzicht in de schapenboet werd pas verdiept door een bezoek aan kunstgalerie ‘Melk’ aan de Herenstraat in Den Hoorn. Dat is het aardigste, en daarom vermoedelijk eveneens meest gefotografeerde dorpsstraatje van Nederland. Smal, stil, oude huisjes. De bewoners komen alleen naar buiten om proviand in te slaan, daarna zie je ze niet meer. ’s Avonds kun je er een kanon afschieten, maar het wordt niet op prijs gesteld.

We gingen de kunstgalerie binnen om een paar ansichtkaarten te kopen, liefst van het hervormde kerkje natuurlijk. Ik scharrelde wat door de winkel en zag opeens een mooi, sober schilderijtje staan. Weilanden met verschillende soorten groen lagen tegen een horizon waarop een hoge, bruine schuur iets opzij leunde. Als je wat verder achteruit ging staan, leek het ook op een schip, worstelend op zee. Dit was Texel, dat zag je met één oogopslag. En dit was goed gedaan, zei de volgende oogopslag.

„Dat schilderij met die schuur…”, zei ik.

„Dat is nou een schapenboet”, zei de galeriehoudster.

We lieten ons uitleggen dat de schapenboet een typisch Texelse schuur is voor de opslag van hooi, voer en werktuigen. Het zijn geen schaapskooien, want de schapen komen nooit in de boet, ze zoeken er alleen beschutting tegen de wind of verkoeling in de schaduw.

Wij keken nog eens goed naar het schilderij, vervolgens naar elkaar en toen wisten we genoeg: dit stukje Texel wilden we graag onder de arm meenemen. Even later stonden we in het atelier van de schilderes, Souwie Duinker. Uit allerlei hoeken en gaten toverde ze de aardigste schilderijen, maar diep in ons hart wisten we toen al: zonder boet gingen we niet naar huis.