Bas Jan Adertje spelen

Kunstenaar Bas Jan Ader werd beroemd met een klein oeuvre. Dertig jaar na zijn verdwijning op zee heeft de internationale kunstwereld hem heilig verklaard. Hoe populairder Ader wordt, hoe meer werken er opduiken.

Zou James Dean als tiener hebben geweten dat hij ooit een mythe zou worden? En zou Vincent van Gogh in zijn jeugdige jaren hebben durven dromen van de ongeëvenaarde roem die hem na zijn dood ten deel viel? Voor de jonge kunstenaar Bas Jan Ader (1942-1975) was het in ieder geval een uitgemaakte zaak: hij zou wereldberoemd worden. Daarom zette hij als achttienjarige al na enkele maanden een punt achter zijn opleiding aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, waar hij de klasgenoot was van Wim T. Schippers en Ger van Elk. De opleiding ging hem te traag, zou hij later in een interview zeggen. „Ik had het gevoel dat ik meer in mijn mars had en daarom zocht ik andere wegen.”

Ader vertrok naar de Verenigde Staten, waar hij dankzij een uitwisselingsprogramma kunstcolleges kon volgen. Al na een paar maanden had hij er zijn eerste tentoonstelling. The Washington Post was lyrisch over zijn pentekeningen, en Jacqueline Kennedy kocht een werk van hem aan. En dus keerde Ader in 1961 uiterst zelfverzekerd terug naar Nederland. Tegen een journalist van Het Vrije Volk, die hem vroeg naar zijn Amerikaanse ervaringen, zei hij vol bravoure: „Ik ben geen Groninger en ook geen Nederlander, maar ook geen Amerikaan of wat dan ook. Ik ben Bas Jan. Ik wil niets anders zijn dan Bas Jan – mij zelf.” Hij was toen negentien jaar oud.

Nu, dertig jaar na zijn verdwijning op zee, lijkt het erop dat Bas Jan Aders superioriteitsgevoel terecht is gebleken. Postuum is hij uitgegroeid tot een van de grootste kunstenaars die Nederland ooit heeft voortgebracht. Alleen al de afgelopen vijf jaar had hij solotentoonstellingen in Sittard, Santa Monica, Berlijn, Stockholm, Frankfurt, Mexico City en New York. Zijn werk was te zien in de Tate Modern in Londen en het Centre Pompidou in Parijs. Filmer Rene Daalder maakte vorig jaar een documentaire over zijn leven. En binnenkort verschijnt Ocean Wave, de biografie die dichter Koos Dalstra samen met Marion van Wijk schreef na tien jaar onderzoek naar Aders leven en dood.

Door de internationale kunstwereld is Bas Jan Ader heilig verklaard. „We krijgen wekelijks bruikleenaanvragen voor zijn werk”, zegt Rein Wolfs, hoofd tentoonstellingen bij Museum Boijmans Van Beuningen. Het Rotterdamse museum kocht in 1992 van Aders erven een belangrijk deel van diens oeuvre aan, waaronder acht fotowerken, een videotape en al het filmwerk. In totaal gaat het om niet meer dan vijftien minuten aan beeldmateriaal. Maar volgens velen behoren de luttele seconden waarin Ader zich van het dak van zijn huis stort (Fall 1, 1970) en de drie minuten waarin de kunstenaar zichzelf huilend voor de camera plaatst (I’m too sad to tell you, 1971) tot de mooiste momenten uit de Nederlandse kunstgeschiedenis.

Vanaf volgende week is in Museum Boijmans nagenoeg het complete oeuvre van Bas Jan Ader te zien op de grootste tentoonstelling die ooit aan de kunstenaar gewijd is. Alleen: hoe groot is dat complete oeuvre eigenlijk? Kunsthistoricus Paul Andriesse, die in 1988 de eerste monografie over Aders werk schreef, telde 36 items. Sinds die tijd lijkt het oeuvre langzaam meegegroeid met de populariteit van zijn schepper. Er kwamen postume edities uit van al bestaande foto’s, installaties werden opnieuw geïnstalleerd, en er werden nieuwe werken ontdekt. In de catalogus van de tentoonstelling in Boijmans staan zestig werken afgebeeld, waaronder een aantal tekeningen uit Aders academietijd die in 2000 aan Boijmans geschonken werden.

Je kunt je afvragen

of Bas Jan Ader het op prijs zou hebben gesteld dat zijn jeugdzondes nu in de tentoonstelling zijn opgenomen. Brave, academische tekeningen zijn het, van stieren, naakten en zittende figuren, die in niets doen denken aan de trefzekerheid van zijn latere foto’s en films. Zelf was de kunstenaar altijd extreem zorgvuldig in de presentatie van zijn werk. „Ik ben van mening dat beperking van materiaal mij tot een eerlijker expressie aanspoort”, zei hij tegen de Amersfoortse Courant. Ader maakte scherpe keuzes. Hij gooide veel weg en werkte weinig uit. Zijn oeuvre was zo klein omdat hij zelf zijn grootste criticus was. Van I’m too sad to tell you bijvoorbeeld, had hij in 1971 al twee eerdere versies gemaakt, maar die konden zijn goedkeuring niet wegdragen.

Hoe ga je om met het oeuvre van een kunstenaar die niet meer kan vertellen met welke intenties hij het gemaakt heeft? Dat is een vraag waar Rein Wolfs bij het samenstellen van deze tentoonstelling voortdurend tegenaan liep, zegt hij. „Je zou het hem zo graag nog eens willen vragen: hoe moet ik deze kunst tonen? Natuurlijk kun je erover twisten of de academische tekeningen bijdragen aan de mythevorming rond de kunstenaar. Het zijn niet echt goede werken. Daarom laten we ze ook zien in het documentaire deel van de tentoonstelling.”

Boijmans maakt op dit retrospectief een duidelijk onderscheid tussen het door Ader zelf geautoriseerde werk en het ondersteunende materiaal – zoals brieven en ansichtkaarten, maar ook de rapporten van de Spaanse kustwacht – dat in vitrines getoond wordt. „Het ligt heel gevoelig”, zegt Wolfs. „Je moet proberen te achterhalen hoe de kunstenaar het zelf bedoeld heeft. Het tweeluik Untitled (Sweden) uit 1971 bijvoorbeeld, is door Ader zelf tentoongesteld als diaprojectie, dus zullen wij het ook op die manier tonen. Mijn enige twijfel is hoe de dia’s naast elkaar geplaatst dienen te worden.”

Van diezelfde dia’s zijn in 2003, met toestemming van Aders weduwe Mary Sue Andersen, kleurenafdrukken gemaakt in een oplage van ieder drie. „Die foto’s” , zegt Wolfs, „lijken door de kunsthandel geïnitieerd en dus geen authentieke werken.”

Sinds 1979 werd

Aders nalatenschap – de Estate – vakkundig beheerd door de zogenoemde Commissie van Vier, waarin vriend en kunstenaar Ger van Elk, galeriehouder Adriaan van Ravesteijn, collectioneur Martin Visser en broer Erik Ader zitting hadden. Samen met Paul Andriesse, die was afgestudeerd op het oeuvre van Ader, voltooide het viertal in de jaren tachtig enkele edities van foto’s die Ader nooit had kunnen afmaken. Hoewel afgedrukt na zijn dood, worden deze prints toch gezien als echte werken. In alle gevallen had Ader zelf al minstens één foto afgedrukt, zodat formaat en papiersoort bekend waren.

Het is aan de Commissie van Vier te danken dat Aders werk nu zo’n inspiratiebron is voor een nieuwe generatie kunstenaars. Zij redden het oeuvre van de vergetelheid toen niemand er interesse in toonde. Zij bewaakten de strikte keuzes die Ader zelf binnen zijn oeuvre had gemaakt. En zij waren terughoudend in het uitgeven van postume edities. Maar in 1993 besloot Mary Sue Andersen het beheer van Aders nalatenschap over te dragen aan een Amerikaanse kunsthandel, Patrick Painter Editions. Sindsdien wordt er met het autoriseren van Aders werk aanzienlijk ruimhartiger omgesprongen.

Tot wat voor pijnlijke toestanden dat kan leiden was in 2005 te zien in de New Yorkse Perry Rubenstein Gallery. Daar werd een driedimensionale uitwerking getoond van een ontwerptekening die Ader in 1974 had gemaakt voor een ‘neon sculpture’. Op de oorspronkelijke schets stonden vier zwarte kwadraten getekend, met daarin de letters ‘Piet Niet’ geschreven in de primaire kleuren rood, geel en blauw – een verwijzing naar het kleurgebruik van Aders held Piet Mondriaan. Dertig jaar later stond het werk opeens als neoninstallatie te schitteren in een galerie in New York. „Dat gaat wel ver”, vindt Rein Wolfs. „Ik schrik van zo’n werk. We hebben het beeld wel in de catalogus genoemd, maar alleen bij de postuum uitgegeven werken. De datering is 2005, daar mag geen misverstand over bestaan.”

Ook dubieus is de

tentoonstelling die in 2003 bij Galerie Chantal Crousel in Parijs werd gehouden. Daar werd de installatie Thoughts unsaid then forgotten getoond, een tijdelijke wandschildering die Ader in 1973 eenmalig had laten uitvoeren in het Nova Scotia College in Halifax. Destijds was alleen een grijzige polaroidfoto overgebleven als fysiek bewijs. Toch bleek het kunstwerk nu te koop in een oplage van drie, voor honderdduizend dollar per stuk. Voor dat geld kreeg je een lamp met een statief, een vaas, zwarte stiften en een dia die als een soort mal kon dienen, zodat je zelf de woorden uit de titel in het juiste lettertype op de muur kon aanbrengen. Een handleiding vertelde hoe je de attributen moest gebruiken om een installatie te bouwen die enigszins zou moeten lijken op het origineel uit 1973. Een echtheidscertificaat, getekend door Mary Sue Andersen, werd bijgeleverd.

Zelf heeft Ader de documentaire foto nooit als kunstwerk uitgegeven en de installatie nooit herhaald. De reconstructie van het kunstwerk uit 2003 lijkt daarmee slechts één doel te dienen: de nabestaanden. Ook Boijmans zal het werk opnieuw laten uitvoeren. „Maar wij zeggen erbij dat het om een reconstructie gaat”, zegt Wolfs. „Het zal niet tussen de hoofdwerken te zien zijn. Binnen de tentoonstelling dient het een educatief doel. Het enige waar we voor moeten waken is dat we niet te veel in de huid van de kunstenaar kruipen. Die neiging hebben veel tentoonstellingsmakers wel: lekker Bas Jan Adertje spelen.”

Wolfs beseft dat hij door het publiceren van Aders brieven in de catalogus en door het reconstrueren van historische werken bijdraagt aan de mythevorming van Bas Jan Ader. „Maar de mythevorming is ook terecht. Ader heeft een stuk of vijftien heel bijzondere werken gemaakt. Als hij niet verdwenen was, zouden die misschien nooit boven zijn komen drijven. Zijn kleine oeuvre had onder een berg van slechte werken bedolven kunnen worden. Nu is de helft van zijn kunstwerken heel raak geschoten. En dat is een zeer hoge score.”

Bas Jan Ader, Please Don’t Leave Me. 26 aug t/m 5 nov in Museum Boijmans van Beuningen, Museumpark 18/20, Rotterdam. Inl: 010 4419475, www.boijmans.nl. Catalogus €38,50. Iedere zondag om 15u wordt in de aula de documentaire ‘Here is always somewhere else’ van René Daalder vertoond.