Altijd maar garnalen

Eten speelt een grote rol in de films van Alex van Warmerdam, ook in ‘Ober’, zijn nieuwste werk. Culinair journaliste Janneke Vreugdenhil kookte voor hem de gerechten uit zijn films. „Die niertjes zijn een beetje griezelig.”

Van Warmerdam is uitgegeten.

„Wat is dat?”

„Paardenworst.”

„En dat?”

„Gazpacho.”

„Moet ik dat eten?”

„Dat is de bedoeling, ja.”

„Ik heb geen honger.”

Als dit een dialoog uit een van Van Warmerdams eigen films zou zijn, was dit het moment waarop ik met mijn vuist op tafel zou slaan en zeggen: „Dan maak je maar honger!” Waarna ik hem de paardenworst onder de neus zou duwen en hij zijn lippen halsstarrig op elkaar zou persen.

In werkelijkheid spelen we geen Warmerdamiaans machtspelletje-aan-tafel, maar heb ik de filmmaker uitgenodigd om samen iets te eten in De Kompaszaal. In dit Amsterdamse restaurant is een groot deel van zijn nieuwste film Ober opgenomen. En in plaats van woedend ben ik hooguit een beetje teleurgesteld dat hij niet toehapt. „Eet nou op zijn minst een sliptongetje”, probeer ik nog. „Of proef wat van die griesmeelpudding. Zelfgemaakt, met biologische room en echte vanille.” „Er zit geen bessensap op”, is zijn commentaar, en hij vraagt: „Uit welke film komt die boterham met cornedbeef eigenlijk?”

Mooi, hij wil dan misschien niet eten, maar Van Warmerdam doorziet wel direct mijn bedoelingen. Ik heb uit elk van zijn zes speelfilms een gerecht meegenomen. De paardenworst komt uit Kleine Teun, de gazpacho uit Grimm en de sliptongetjes uit De Jurk. De griesmeelpudding komt uit zijn nieuwste film Ober. Voor de boterham met cornedbeef uit De Noorderlingen ben ik speciaal naar een ouderwetse slager gefietst, waar ik het paarsroze persvlees in extra dikke plakken heb laten snijden. En natuurlijk heb ik haring meegenomen. „Lekkere zoute haring”, zoals Victor, de vader van Abel het uitdrukt in Van Warmerdams eerste film.

Waarom wordt er zoveel gegeten

in jouw films, vraag ik hem als we met niets dan een lege maag, een glas water en een kop koffie aan een tafeltje zitten.

„Tja, dat eten, daar heeft iedereen het altijd over. Ik word er zelfs mee gepest. Heb je hém weer met die paardenworstjes, zeggen ze dan. Maar dat valt toch allemaal wel mee?”

Ik laat hem de lijst met aantekeningen zien die ik maakte bij Kleine Teun. Soep met brood, niertjes op een boterham met peper en zout, visjes, vla uit een fles, broodjes met zure zult, karnemelk, rosti met paardenworstjes, zuiglamsbout, roze pudding, uiensoep, pap, bouillon, beschuit met margarine, haring uit een potje, andijviekliekje, stokvis met rijst en bruine suiker, geraspte appel met kaneel.

„Zit dat er echt allemaal in?” Hij lijkt oprecht verbaasd. Ik knik. Er zijn tien eetscènes en dan heb ik het beginshot met de grazende geit niet meegerekend. „Weet je wat het is”, zegt hij, „tafelscènes zijn dramaturgisch gezien ideaal. Je zet een aantal personages aan een tafel en er ontstaat vanzelf een dialoog. Als ik ze niet aan tafel zou zetten, waar zou ik ze dan moeten plaatsen? Op de bank? Dat is toch saai. Het voedsel zelf is feitelijk bijzaak. Ik gebruik eten vaak als middel om de mankementen van een gezin te bloot te leggen.”

Dat deed Van Warmerdam al in de openingsscène van zijn eerste film, waarin Abel met zijn ouders Victor en Duif aan het kerstontbijt zit. De tafel is feestelijk gedekt, er branden kaarsjes. Heel even lijkt het gezellig, maar de culinaire dialoog die volgt maakt al snel duidelijk dat de relaties binnen het gezin flink ziek zijn.

Abel: „Zeg, die zalm is heerlijk.”

Duif: „Ja, ik dacht, altijd maar garnalen, nu maar eens zalm.”

Abel: „Die garnalen hebben van mij nooit gehoeven. Maar ja, híj wilde altijd garnalen.”

Victor: „Ik hou helemaal niet van garnalen, jíj wilde altijd garnalen. Duif, wie wil er altijd garnalen?”

Duif: „Je vader heeft gelijk.”

Abel: „Dus ik lieg?”

Duif: „Dat zeg ik niet, maar je wilde wel altijd garnalen.”

Abel: „Zeg dan dat ik lieg.”

Duif: „Je liegt.”

Zo zitten er nog drie tafelscènes in Abel. Telkens eindigen ze in ruzie, vliegt er bijvoorbeeld een pan mosselen door de kamer. Ook in De Noorderlingen zit een onverkwikkelijke gezinsmaaltijd, in Grimm is de sfeer tijdens het eten om te snijden en in Kleine Teun is het niet anders. In Ober loopt zo’n beetje elke scène uit op een knokpartij, dus ook de vele scènes in het restaurant. Is de maaltijd in Van Warmerdams ogen misschien hét moment om meningsverschillen uit te vechten?

„Toen ik klein was, was dat wel zo. Ik ben opgegroeid in een groot gezin, zat elke avond met mijn ouders, mijn twee broers en tweelingzusjes aan tafel. Er werd heel wat afgeschreeuwd. Ik schijn nogal een treiterkop te zijn geweest en het kwam regelmatig voor dat mijn moeder huilend de kamer verliet. Dan zei mijn vader: ‘Hebben jullie nu je zin?’ Dat klinkt dramatisch, maar dat soort ruzies kunnen heel gezond zijn. Eten is ook een middel tot verbroedering. Ik heb aan die maaltijden goede herinneringen. We aten met smaak. Gewone, Hollandse dingen, lof, bloemkool, aardappels, op vrijdag gebakken vis en ’s zondags suddervlees. Mijn twee zonen wonen nog thuis en ook bij ons wordt elke avond met het hele gezin gegeten. Aan de keukentafel. Ik vind dat noodzakelijk, dat bij elkaar zijn. Een teken van beschaving.”

Toch lijkt het, suggereer ik, of hij meer met die maaltijden doet dan er alleen maar mensen omheen verzamelen. Het is niet zomaar eten. Er zitten archaïsche gerechten bij, dingen die bijna niemand meer eet. Zure zult, niertjes, stokvis. Wat zegt dat eten over zijn films?

Daar moet Van Warmerdam

even over nadenken. Hij is geen man van diepgravende analyses achteraf; zijn publiek moet zelf maar weten wat het in zijn werk ziet. Aarzelend: „Soms gebruik ik eten wel om een karakter meer uit te diepen. In Abel laat ik Christine een fobie hebben voor voor tomaten. Ze beweert dat ze ze niet mag eten omdat ze uit de nachtschade-familie komen. Dat truttige, macrobiotische uit de jaren zestig past bij haar. En die niertjes vond ik wel bij Keet passen. Ze zijn een beetje griezelig.”

In Kleine Teun is te zien hoe Keet een pond niertjes kookt, ze afspoelt in een geëmailleerd vergiet, op een schoon wit bord legt en in de koelkast zet om ze later op een boterham te eten, met peper en zout. „Ik ben dol op niertjes, kook ze heel vaak. Maar de crew stond er zowat bij te kokhalzen. Dat soort effecten zitten wel in mijn achterhoofd tijdens het schrijven. Maar het is niet zo dat ik daar doelbewust mee bezig ben, dat ik een kookboek erop nasla om een zo vreemd mogelijk gerecht te bedenken. Ik moet er zelf iets mee hebben en het moet min of meer spontaan op zijn plek vallen.”

Hoe viel de stokvis met rijst en bruine suiker dan in Kleine Teun op zijn plek? Van alle gerechten die ik in zijn films voorbij heb zien komen, vond ik die het wonderlijkst. Stokvis, oké, maar met rijst en bruine suiker? „Ik heb lang geleden een keer gebakken wijting met rijst, boter en bruine suiker gegeten. Heerlijk vond ik het. Zoiets moet dan een tijdje bezinken en na een jaar of vijf komt het weer boven en stop ik het in een film. Eten kan een film iets authentieks geven. Als ik naar een Italiaanse film kijk, vind ik het lekker als daarin pasta met tomatensaus wordt gekookt, zoals in The Godfather. In een Russische film wil ik graag een Russisch gerecht zien. En ik let ook erg op de klank van een gerecht. Zure zult vind ik prachtig klinken, net als paardenworstjes, nachtschade en cornedbeef.”

Over paardenworstjes en cornedbeef

gesproken, Van Warmerdam laat zijn personages vaak voedsel aan elkaar opdringen. Het lijkt of hij eten gebruikt als machtsmiddel. „Ach, dat valt toch wel mee?” Ik help hem even herinneren. In De Noorderlingen weigert de vrouw van de slager een boterham met cornedbeef. „Het is lievelingsbeleg, je móet iets eten”, dreigt haar man, maar zij is sterker en volhardt in haar hongerstaking. In Kleine Teun laat Keet de vriendin van haar man het ene na het andere curieuze hapje eten. Lena pakt Keet terug en dwingt haar paardenworstjes te eten. „Mijn vader noemde paardenvlees verdrietig vlees”, zegt Keet voordat ze huiverend een hapje neemt. In Abel wordt volop psychologische oorlog gevoerd met voedsel en ja hoor, ook in Ober mag niemand zelf bepalen wat hij eet. Van Warmerdam schiet in de lach. „Nu je het zegt, ja, dat begint een gewoonte te worden. Daar moet ik nodig eens mee ophouden. Maar macht is nu eenmaal een van de thema’s in mijn werk. Keet biedt Lena niet voor niets voortdurend eten aan. Dat doet zij omdat ze denkt: als zij mijn eten eet, dan heb ik haar.”

Wordt er bij Van Warmerdam thuis eigenlijk ook zoveel geruzied tijdens het eten? „Wij willen nog weleens ruzie maken, maar dan vooral over wíe er mag koken. Mijn vrouw Annet kan namelijk geweldig koken. Zij maakt een Thaise soep met kokosmelk en pepertjes, die vind ik gewoon geil. Maar zelf kook ik ook graag. Soms kan het mijn dag echt goed maken. Is er de hele dag niks uit mijn handen gekomen, heb ik tenminste nog een lekker potje klaargemaakt voor mijn gezin. Pasta aglio olio, een gebakken visje met aardappeltjes en sla. Snel maar goed. Ik kook altijd met liefde, anders wordt het niks.” In Ober geeft Edgar, de hoofdpersoon, aan de keuken door wat zijn vriendin wil eten. Een zigeunerschnitzel. „En met liefde graag, hij is voor Victoria.” Het is een van de weinige blijken van liefde die de ontevreden ober ten opzichte van haar tentoonspreidt. Via het eten.

Ik vraag Van Warmerdam of hij niet eens een echte culinaire film wil maken, zoiets als Babette’s Feast, Tampopo of Big Night. „Welnee, ik wil er juist vanaf. Ik heb het gehad met dat eten. Je kunt in Ober zien dat het eten geen rol meer speelt. Niet in het intermenselijke verkeer althans. Er zitten ook geen vergeten gerechten in; dat vlees en die aardappels en boontjes doen niet ter zake. Ik vind het wel jammer dat ik een scène heb moeten schrappen waarin Edgar een bord boerenkool met worst voorzet aan zijn Japanse huisgast. Het was een prachtig fragment, zo’n Japanner die boerenkool eet met stokjes, maar hij haalde de vaart eruit en is gesneuveld.”

Als ik Van Warmerdam zo hoor, kan hij het eten maar moeilijk los laten. „Ik wil het echt niet meer. Maar verdomd, ik ben vorige week begonnen te schrijven aan een nieuw stuk, zit er meteen weer iemand aan een tafel, in een restaurant, met een serveerster erbij. Ik vraag me ook weleens af hoe andere filmmakers dat doen. De meeste mensen zitten drie keer per dag aan tafel, hoe weten ze dat te vermijden? Zelfs als je je personages in de woestijn zet, dan hebben ze op een gegeven moment toch weer honger.”

Ober is vanaf 28 september te zien in de bioscoop. Op 7 september komt een dvd-box uit met Abel, De Noorderlingen, De jurk, Kleine Teun en Grimm. Gisteren verscheen ‘Van alle kanten komen ze’, Van Warmerdams eerste dichtbundel, bij Nieuw Amsterdam. Met dank aan De Kompaszaal, Amsterdam.