Waanzin in glitters en stipjes

Tentoonstelling: Vittorio Roerade, Mensenmensenmens. T/m 8 oktober in het GEM, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Di t/m zo 12-18u. Inl: 070-3381133, www.gem-online.nl

Waar zou de Haagse kunstenaar Vittorio Roerade (1962) ’s nachts van dromen? Hij schildert mensen zonder gezichten, hypnotiserende cirkels waaruit beestjes ontsnappen en met veren beplakte mensen waar lange takken uit groeien. Zelfs Ovidius, die in de Oudheid verhaalde van mensen die in dieren en planten veranderden, beschreef zulke bizarre metamorfoses niet. Roerades surreële wereld heeft iets van écriture automatique, het gedachteloos vanuit het onderbewustzijn tekenen, maar ook van Japanse comics en freakshows. Tegelijkertijd is elke vergelijking vergezocht. Vittorio Roerades visioenen zijn zo merkwaardig, ze lijken helemaal nergens op.

Roerade gebruikt een vreemde mix van materialen. Dikke plakkaten hangen aan de muur van zijn solotentoonstelling in het GEM, het Museum voor actuele kunst in Den Haag. Het is epoxyhars, dat er vies plakkerig uitziet maar ook lekker glimt, als gelatinepudding. In die gelei schildert hij mensen en hondjes waar kleine uiltjes of muisjes op groeien, besprenkeld met glittertjes en veertjes. Snoezig zijn ze, maar ook een beetje smerig want ze groeien als gezwellen op iemands huid.

Het is gek, fascinerend werk, juist dankzij die subtiele balans tussen aantrekken en afstoten. Die balans blijkt er niet altijd te zijn geweest. Het GEM toont in drie kleine zalen Roerades werken van de laatste zeven jaar. De vroegste daarvan zijn dikke rozige panelen, waar hij de epoxyhars schubbig op aanbracht. In die zweterige vleesmassa’s plakte hij ogen en monden. Het resultaat is een serie akelige koppen, nauwelijks nog als gezicht te herkennen.

Vijf jaar geleden verdwenen de enge koppen. Slechts hun contouren bleven over, in grotere universa vol beestjes en stipjes. De vlezige rauwheid werd zachter, ongrijpbaarder, beter ook, en werd bedekt met kraaltjes en andere dingen uit de barbiepoppendoos. Dat bleek een voorbode te zijn. Twee jaar geleden brak definitief de Beatrix Potter in Roerade los. De waanzin in glitters en kraaltjes nam toe, zijn vlindertjes werden pietepeuteriger en zijn composities decoratiever. De doeken werden groter om alle rijen vogeltjes en bloempjes een plek te kunnen bieden.

Toch: zou als je dit werk in een kinderkamer zou hangen, zou dat bedplassende peuters opleveren. In een donkere kosmos doemen nachtdieren op in strenge colonnes, gehuld in roodfonkelende schilden. In hypnotiserende cirkels zwermen zwarte vlinders in een aanvalshouding. De droombeelden van deze kunstenaar blijven verontrusten.

Het onderwerp van Roerade is, naar eigen zeggen, de mens en menselijke relaties. Dat is een weinig geslaagde zelfanalyse. Zijn getekende dagboeken, waarvan pagina’s aan de tentoonstellingsmuren prijken, tonen eenzame mensen die lijden onder hun mismaaktheid. Maar in zijn schilderijen ontbreekt die menselijkheid. Daar hebben de personages geen enkel reliëf of karakter. Hooguit kun je stellen dat zijn werk iets zegt over hoe mensen naar andere schepsels kijken. Een levend wezen met een grote bult vinden we afstotend, maar zet je op die bult een snaveltje of twee oortjes, dan willen we het knuffelen. Doortrapt bespeelt Roerade zo onze oerinstincten; met slechts twee stipjes doet hij onze afschuw in vertedering omslaan. Dat raffinement maakt zijn spookbeelden ongrijpbaar en onvergelijkbaar.