President Israël beschuldigd van verkrachting

De Israëlische president Moshe Katsav is vandaag voor de tweede dag urenlang verhoord door de politie op verdenking van verkrachting van een ambtelijk medewerkster en het chanteren van twee secretaresses met ontslag als zij niet ingingen op zijn seksuele avances. De computers van de president en zijn secretariaat in Jeruzalem zijn op last van de rechter in beslag genomen.

De verhoren en de inbeslagnames hadden plaats met toestemming van procureur-generaal bij de Hoge Raad, Menahem Mazuz. Het kantoor van de president werd tijdens de verhoren afgezet met hekken.

Volgens de Israëlische media kan daaruit worden afgeleid dat de politie over „dramatisch materiaal” tegen de in 2000 tot president gekozen Katsav beschikt. Katsav ontkent dat hij zijn naaste medewerkster zou hebben verkracht en twee anderen onder druk hebben gezet met hem het bed te delen. De in Iran geboren Katsav (Yazd, 1945), lid van Likud, weigert af te treden. Zijn advocaten zeggen dat de aanklachten van de vrouwen, die tot nu toe onbekend zijn gebleven en in de media worden geanonimiseerd met de letters A. B. en C., verzinsels zijn. Met name A. zou hebben gehandeld uit frustratie omdat Katsav haar had afgewezen.

De president, volgens de Israëlische Basiswet de „eerste burger” heeft hoofdzakelijk ceremoniële bevoegdheden en kan gevangenen gratie verlenen.

De president is volgens de Basiswet onschendbaar, maar als procureur-generaal Mazuz naar aanleiding van het politie-onderzoek besluit dat er gronden zijn om Katsav na het verstrijken van zijn ambtstermijn in 2007 te vervolgen dan is aanblijven geen optie. Wel kan de Knesset hem voor de afloop van zijn 7-jarige ambtstermijn afzetten.

Leden van de Arbeidspartij zijn aan een actie begonnen om de benodigde 20 stemmen te verzamelen die nodig zijn om een afzettingsprocedure in gang te zetten. Katsav kwam eerder in opspraak wegens zijn contacten met de inmiddels aan de Verenigde Staten uitgeleverde Israëlische maffiabaas Zeev Rosenstein.