Gevallen idolen

Heeft Nederland in Willem Aantjes zijn Günter Grass gehad? De eerste, tussen 1973 en 1978 fractievoorzitter van de antirevolutionairen en daarna van het CDA in de Tweede Kamer, verzweeg 33 jaar lang zijn lidmaatschap van de Germaansche SS; de tweede, icoon van links Duitsland, onthult nu pas, na 66 jaar, dat hij bij de Waffen-SS gediend heeft.

Er zijn echter niet onwezenlijke verschillen tussen beide gevallen. Grass trad niet in vreemde krijgsdienst; Aantjes wél (hoewel de Germaansche SS geen vechtorganisatie was).

Grass deed het vrijwillig; Aantjes, die in Duitsland tewerkgesteld was, om zo naar Nederland terug te kunnen. Beiden namen hun beslissing toen zij nog nauwelijks volwassen waren: Grass net zeventien, Aantjes ongeveer twintig.

In 1976 schreef Grass: „Ik was te jong om schuldig te worden.” Dat belette hem later niet om, toen bondskanselier Kohl, een paar jaar jonger dan hij, zich eveneens beriep op zijn jeugd tijdens de oorlog – ‘de genade van de late geboorte’ – daar slechts woorden van hoon voor over te hebben.

Grass kwam uit eigen beweging tot zijn bekentenis (slechts heel weinigen kenden zijn geheim). Van Aantjes’ verleden liepen in eigen kring vage geruchten (maar genoeg om hem in 1967 een ministerschap te laten mislopen). Het was Loe de Jong die, optredend als aanklager en rechter tegelijkertijd, het in 1978 onthulde (daarbij overigens verzwijgend dat het niet de Waffen-SS was waarbij Aantjes zich had aangesloten). Aantjes werd zwaar gestraft: politiek was hij voortaan dood.

Van Grass moeten we zo’n eind nog maar afwachten. Op 78-jarige leeftijd hoeft hij geen anonimiteit te vrezen. Zijn boeken zullen niet minder goed verkocht worden. Het icoonkarakter hadden beiden weer gemeen. Grass vertegenwoordigde tot ver buiten de grenzen het ‘goede’ Duitsland. Talloze eerbewijzen vielen hem ten deel, in de eerste plaats de Nobelprijs, maar ook in Polen en Tsjechoslowakije. Aantjes had zich met zijn zogeheten Bergrede tot symbool gemaakt van christelijke progressieve politiek, die ook vredespolitiek wilde zijn. Hij heeft trouwens nog bewonderaars, die graag naar hem luisteren.

Het debat om Aantjes is verleden tijd. Dat om Grass zal nog geruime tijd woeden. De eerste reacties tonen de geschoktheid van, vooral, intellectueel Duitsland – geschokt niet zozeer door zijn verleden als SS’er – korte tijd in de laatste oorlogsmaanden – als wel door zijn lange zwijgen, terwijl hij wél bij vrijwel elke gelegenheid zijn mond opendeed als ware hij Duitslands geweten.

Het onderscheid dat hier gemaakt wordt, is juist. Een Duitse jongen die elf jaar was toen de oorlog uitbrak en thuis geen weerwerk kreeg tegen zijn nationaal-socialistische opvoeding op school en in de Hitlerjugend, kun je het moeilijk kwalijk nemen dat hij geen bezwaar maakte tegen inlijving bij de Waffen-SS, die voor hem, naar eigen zeggen, toen „niet iets afschrikwekkends, maar een elite-eenheid” was. De levensweg van talloze Duitse jongens.

Overigens was die aansluiting niet vrijwillig: hij had zich (vrijwillig) bij de marine gemeld, maar daar namen ze eind 1944 geen mannen meer aan. Zo kwam hij, onder nog niet helemaal opgehelderde omstandigheden, terecht bij de Waffen-SS. Die was trouwens haar elitekarakter al kwijt: in die laatste oorlogsmaanden nam zij vrijwel iedereen aan. Ze telde toen ongeveer 900.000 man. Die waren niet allemaal oorlogsmisdadiger.

Dat hij tot de SS behoord heeft, ziet dus bijna niemand in Duitsland als een smet. Anders is dat met zijn lange verzwijgen van dat verleden. Juist van hem, die, vooral in de jaren dat de CDU aan het bewind was, de regering kastijdde omdat zij, volgens hem, meedeed aan het verdringen van het verleden, had een grotere openhartigheid mogen worden verwacht. Het zou zijn morele gezag slechts hebben vergroot. Nu deed hij het voorkomen alsof hij als jongen slechts bij de luchtafweer had gediend, waarover hij overtuigend wist te vertellen.

Hij liet kansen lopen om voor de draad te komen. Zo had hij, toen in 1985 Kohl en president Reagan een oorlogsbegraafplaats bezochten waar, onder vele anderen, 49 SS’ers liggen – van wie er 32 jonger van 25 jaar waren toen zij sneuvelden – kunnen zeggen: „Voor hetzelfde geld lag ook ik daar.” Hij had zijn leeftijdgenoten die daar lagen, kunnen bevrijden van de vloek oorlogsmisdadiger te zijn. Maar nee, hij noemde dit bezoek een „geschiedvervalsing, waarvan de op publiciteit gerichte berekening alle betrokkenen kwetst”.

Gevraagd naar de redenen van zijnlange zwijgen, zegt hij in een televisiegesprek met Ulrich Wickert: „Ik kan de redenen nog niet precies noemen.” Maar in hetzelfde gesprek heeft hij het, net als in zijn zojuist verschenen memoires, over de „schuld die blijft” en de „schaamte achteraf” daarover. En toch: „Ik was mij ook van geen schuld bewust.”

Hoe klopten die verklaringen met elkaar? Zou hij er niet beter aan hebben gedaan nog iets langer te zwijgen – tot hij tot volledige klaarheid zou zijn gekomen?

Natuurlijk zijn er die het eigenlijke antwoord al weten: als hij eerder zou hebben gesproken, zou hij de Nobelprijs nooit hebben gekregen; en dan wordt verwezen naar Mitterrand die nooit president van de socialistische partij en van Frankrijk zou zijn geworden als bekend was geweest dat hij een hoge onderscheiding had gekregen van de collaborerende maarschalk Pétain.

Ook wordt Grass ervan verdacht zijn onthulling precies getimed te hebben. Op een goed ogenblik zou die tóch komen (misschien wel uit de Stasi-archieven). Daarom zou hij de zaak zelf in de hand hebben willen houden om te voorkomen dat anderen, vóór of na zijn dood, er zich meester van zouden maken. Zijn verklaring dat „ik het laatste woord wil hebben”, is met deze verdenking op z’n minst niet in strijd.

Zijn eerste reactie op de verbazing over zijn lange zwijgen is in elk geval onbevredigend: hij ziet er pogingen in hem tot ‘onpersoon’ te verklaren. Nu, hij heeft eerder zichzélf jarenlang anders voorgedaan dan hij was. Hij moet niet klagen als hij met dezelfde maat gemeten wordt als hij anderen placht te meten. Overigens waren de reacties over ’t algemeen opmerkelijk mild. Van degenen die recht van spreken hebben was de toneelschrijver Rolf Hochhuth (Der Stellvertreter) eigenlijk de enige die zware woorden gebruikte: ekelhaft (walgelijk) noemde hij Grass’ zwijgen.

Nu Grass in zijn memoires misschien wel zijn, maar niet het laatste woord heeft gesproken, moet het voorlopige oordeel luiden dat het erge van de zaak niet is dat Grass’ morele gezag is aangetast –- de SPD zal hem zeker niet meer als spreker op haar verkiezingsbetogingen uitnodigen – maar dat het cynisme zal toenemen: als Grass niet meer te vertrouwen is, wie dan wel?