Een vakman

De Manuel die binnenkort het percentage rolstoelbewoners van mijn dorp komt verdubbelen, was een geliefd lid van de Vrijwillige Brandweer. Een vriend van het glas was hij ook, ja zeker, maar altijd tot de moeilijkste diensten bereid. Nachtblussen, weekendblussen, op elk rooster kun je me zetten, had hij gezegd.

Als er geen brand was, werkte hij bij de gemeente. Een soort ambtenaar in buitendienst. Een afgelegen hoeve kreeg elektriciteit, de leidingen van een heel gehucht werden vernieuwd, ergens was een langdurige stroomstoring geweest – dan zag je hem met andere mannen aan dikke kabels trekken die onder de grond terecht moesten komen of juist onder de grond vandaan werden gehaald. In de handen spugen, tegelijk met de anderen bukken, en daar schoof de kabel weer een meter verder. Op het identiteitsbewijs van Manuel stond als beroep elektricien.

Wat op officiële papieren staat is altijd waar. Toen er in ons huis voor het eerst kortsluiting was en we in het dorp naar een elektricien informeerden, stond een dag later Manuel voor de deur. Hij zag meteen dat het om een gecompliceerde kortsluiting ging. Met schroevendraaier en hamer ging hij aan de slag. Hij experimenteerde en hergroepeerde dat het een lust was. Kortsluiting achter de rug. Er werd een glas op gedronken en op Manuels voorhoofd viel geen zweetdruppel meer te bekennen.

Aan elektrische ellende geen gebrek. Stopcontact doorgebrand. Pomp stuk. Snoer gesmolten. Ons huis heeft oude leidingen en de eeuwige stroomuitval doet de rest. Op elk mankement volgde Manuel. Waarna een glas.

Stekker stukgetrapt. Apparaat roodgloeiend. Verlengsnoer ontoereikend. Manuel was nooit te beroerd even langs te wippen. Hij was beslist handig en alles werkte weer.

Alleen niet lang.

Binnen veertien dagen was alles gegarandeerd weer kapot. Zelfs de apparaten die niet stuk waren geweest en waar Manuel voor de zekerheid toch naar had gekeken, begaven het na maximaal veertien dagen. We haalden er onze schouders over op. We waren gesteld geraakt op Manuel en op zijn handigheid en op de schroevendraaiers die hij uit zijn gereedschapstas toverde en op het glas na. Het huis had oude leidingen, moest je rekenen. En die verdomde stroom ook die hier elke dag wel een paar keer uitviel.

Vooral begrepen we dat Manuel als ambtenaar in buitendienst nu eenmaal iets grootschaliger dacht. Het vervulde ons met trots. Zo’n man die dagelijks met vuistdikke kabels in de weer was en zich dan bij ons kwam ontfermen over een paar draadjes!

Het mooist was de weemoedige glimlach van Manuel. Hij had weinig vertrouwen in het fenomeen elektriciteit, dat zag je zo. Als hij een apparaat maar aan de praat kreeg. De afsluitdoppen en beschermdozen er weer op zetten, dat moesten we zelf doen. Dat was beneden zijn waardigheid. En wat we met zo’n opnieuw in werking gesteld apparaat verder deden of waar we een sterkere bedrading voor nodig hadden, dat was onze zaak.

Onthechter elektricien zag ik nooit. We wensten vurig dat hij bleef repareren en hij zou nog altijd aan het repareren zijn als niet dat ongeluk, net buiten de dorpsgrens, er tussen was gekomen.

Gerrit Komrij