Een blinde vlek voor pi en aanverwanten

Ik heb een blinde bewondering voor mensen die cijfers en letters en pijlen en haakjes op een schoolbord kalken, en als het schoolbord helemaal vol is, triomfantelijk ‘Voilà!’ uitschreeuwen. Wiskundigen, dus. (Misschien baseer ik mijn beeld van wiskundigen teveel op Hollywoodfilms, waarin ze altijd bezig zijn met bovengenoemd kalken op borden, maar zo zie ik ze voor me.)

Daarom vond ik het artikel over Grigori Perelman dat gisteren in deze krant stond, zo leuk. Korte samenvatting: briljant wiskundige wint ‘Nobelprijs’ maar zegt thanks, but no thanks.

Het stuk diende als een korte inleiding in ‘Hoe word ik een wiskundig genie?’. Natuurlijk, het helpt als je, zoals Perelman, een wiskundig probleem oplost waarvan ik te dom ben om überhaupt het probleem zelf te snappen. Maar Perelman is ook op andere manieren het schoolvoorbeeld van een genie, vanwege zijn 1. genie-achtige afkomst: Rusland; 2. genie-achtige bijnaam: Grisha; 3. genie-achtige woonomstandigheden: bij moeder in flat; 4. genie-achtig uiterlijk: lang vies haar en lange vieze nagels; 5. genie-achtige hobby: paddestoelen zoeken in de bossen rondom St. Petersburg.

Ik zeg niet dat je als je een genie wilt worden, paddestoelen móét zoeken in de bossen rond St. Petersburg, maar het helpt wel.

Mijn perverse voorliefde voor wiskundegenieën zal wel door mijn familie komen, waar iedereen óf wiskundige is, óf met een wiskundige getrouwd is. Het jammere is dat ik zelf een blinde vlek heb voor pi en aanverwanten. Toen ik vorig jaar The Curious Incident of the Dog in the Night-Time las, die bestseller over een lief autistje, waar allerlei wiskundige problemen in staan, bleek maar weer hoe blind die vlek is. Het verhaal werd steeds onderbroken door zo’n probleem, en dan moest ik het van mezelf oplossen, wat altijd resulteerde in niet zozeer de uitkomst van het probleem, als wel dat ik The Curious Incident of the Dog in the Night-Time tegen de muur smeet. Later sprak ik mijn zus over het boek, die zei: „Leuk hè, vooral die wiskundedingen! Heb ik steeds even opgelost.”

Er is maar één manier waarop ik deze grote en iets minder grote wiskundigen kan evenaren. Laatst had ik het met mijn vader over een genie dat wij beiden kennen. „Hij is wel erg lui”, zei ik. „Ja”, zei mijn vader, „luiheid is een kenmerk van genialiteit.” Gewoon lui blijven en paddestoelen zoeken, dan kom ik er wel.