Drees zou in deze tijd einde maken aan de AOW

Als Willem Drees, de ‘vader’ van de AOW, het nu voor het zeggen zou hebben, zou hij afstand doen van zijn geesteskind, meent Bert van Nieuwenhuizen.

‘AOW blijft een mijnenveld voor politici’, kopte NRC Handelsblad gisteren op de voorpagina. Het CDA wil dat we langer gaan werken om het collectieve ouderdomspensioen betaalbaar te houden, de PvdA wil rijke(re) ouderen aan de AOW laten meebetalen en de VVD heeft voorlopig haar plan ingetrokken om de AOW twee jaar later te laten ingaan.

Wat zou de man die voor velen nog steeds onlosmakelijk met de invoering van de AOW is verbonden, de in 1988 overleden dr. Willem Drees sr., van deze ontwikkelingen gevonden hebben? Op basis van Drees’ nagelaten geschriften en geluidsbanden durf ik de stelling aan dat Drees de AOW onder de huidige maatschappelijke omstandigheden gewoon zou afschaffen. Zeer geleidelijk natuurlijk en niet zonder deugdelijk vangnet voor de mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen, maar toch: afschaffen.

Drees is tot zijn plannen voor een collectieve oudedagsvoorziening gekomen tegen de achtergrond van de schrijnende armoede waarin veel mensen verkeerden in de eerste helft van de 20ste eeuw. Drees, geboren in 1886, werd politiek gevormd door de rechteloosheid en de machteloosheid van de massa der mensen tussen 1900 en 1940.

Toen hij in de Tweede Wereldoorlog gevangenzat in het Duitse concentratiekamp Buchenwald, ontwikkelde hij al gedachten over de opbouw van Nederland na de bevrijding. Drees voorzag een moeizame economische ontwikkeling na de oorlog: het geld om de algemene welvaart van de mensen te verbeteren zou eerst verdiend moeten worden, en dat zou jaren kunnen duren. Maar van één ding was hij diep overtuigd: er zou een oudedagsvoorziening moeten komen die mensen na hun arbeidzame leven zou vrijwaren van afhankelijkheid en armoede.

Met afhankelijkheid bedoelde Drees afhankelijkheid van de kinderen, die voor de oorlog verplicht waren hun ouders – indien nodig – te onderhouden. En met vrijwaring van armoede bedoelde Drees een fatsoenlijk bestaan. Hij wees er daarbij op dat er voor het merendeel van de mensen geen bedrijfspensioenen bestonden en dat de meeste mensen niet in staat waren om van hun inkomen zelf voorzieningen te treffen.

Dat was ook de situatie die hij aantrof toen hij direct na de bevrijding minister van Sociale Zaken werd. Koningin Wilhelmina had Schermerhorn en Drees de keuze gelaten wie minister-president zou worden. Drees liet het premierschap aan Schermerhorn, hij werd zelf minister van Sociale Zaken. Zo kon hij sneller aan een oudedagsvoorziening werken, die hij feitelijk al in 1947 rond kreeg met de ‘Noodwet-Drees’, een sobere maandelijkse uitkering voor alle Nederlanders zonder pensioen, betaald uit de algemene middelen, de voorloper van de AOW zoals we die nu nog kennen en die in 1957 van kracht werd.

Sobere oudedagsvoorzieningen voor mensen die daarin zelf niet hadden kunnen voorzien, om hen te vrijwaren van afhankelijkheid en armoede, dát was het uitgangspunt van Drees. De situatie is sindsdien echter drastisch veranderd.

De welvaart in Nederland heeft zich de laatste zestig jaar bijzonder krachtig ontwikkeld. De maatschappelijke omstandigheden zijn ingrijpend verbeterd. En bovendien heeft de bedrijfs- en particuliere pensioenwereld zich zodanig ontwikkeld dat werknemers tal van mogelijkheden hebben gekregen zelf hun oudedagsvoorziening te regelen. Mogelijkheden die er niet waren in de jaren dat Drees zijn politieke visie ontwikkelde, noch in 1947 en 1957 toen hij zijn plannen gestalte gaf.

Daarom zou Drees, als hij het nu voor het zeggen had, een einde maken aan de AOW. En waarom ook niet? Mensen zijn in staat – vaak met twee inkomens in één huishouding – steeds meer invloed uit te oefenen op vorm en inhoud van hun pensioen, en die invloed moet nog verder versterkt worden.

Uiteraard zal de afschaffing van de AOW geleidelijk moeten gebeuren. En er zal sprake moeten zijn van een verplichte deelname aan een pensioenvoorziening, net zoals dat met de zorgverzekering het geval is.

Uiteraard zal er een fatsoenlijk vangnet moeten zijn voor de mensen die tussen wal en schip vallen. De politici die deze aanpak aandurven, zouden in de geest van Drees handelen.

Bert van Nieuwenhuizen is oud-redacteur Opinie van het Utrechts Nieuwsblad en auteur van het boek ‘Het land van Drees’ (2006).