Ontwenning

Op het perron van het Friese dorpje kwam een stroblonde jonge vrouw, gekleed in een blauwige, gebloemde jurk, naast ons zitten. Ze luisterde naar haar iPod, maar haar ogen zochten meteen contact met ons. „O, wat lekker die wind”, zei ze. We knikten, het was een hete dag.

Het viel me op hoe mager ze in haar gezicht was, de jukbeenderen domineerden de wangen. „Mijn eerste gedachte was: een junk”, zou mijn vrouw later zeggen.

De vrouw zette de muziek af en begon vol overgave met ons te praten. Na wat inleidende koetjes en kalfjes (schaapjes, zou je met het oog op de veldbezetting in Zuidwest-Friesland eigenlijk moeten zeggen) dook ze in scheervlucht naar haar privé-leven, alsof we elkaar al jaren kenden.

Tweeëndertig jaar was ze, een Friezin in hart en nieren, maar wel een Friezin die ook wist wat er buiten haar provincie te koop was. Daarom sprak ze goed Nederlands, in tegenstelling tot haar zusje, die nooit buiten het dorp kwam – ze durfde niet eens de auto naar Leeuwarden te nemen.

Had ze ook buiten Friesland gewoond, vroegen wij.

Jazeker. En ze noemde enkele ‘klinieken’ waar ze een jaar of vier had gezeten. Klinieken? „Ja”, zei ze, alsof het iets vanzelfsprekends was, „ontwenningsklinieken.”

Inmiddels was de trein naar Leeuwarden binnengereden. We stapten gedrieën in en gingen naast elkaar op de klapstoeltjes bij de deuren zitten, waar niemand ons gesprek kon volgen. Ze praatte verder met die naïeve onbevangenheid die me meteen voor haar had ingenomen.

„Rond mijn twintigste ben ik zwaar verslaafd geraakt aan de drank”, vertelde ze. „Het zit in mijn genen, ik heb het van mijn vader meegekregen. Die is nu zestig en drinkt nog altijd. Hij vindt het lastig met mij, want ik heb de wilskracht die hij niet heeft. Hij heeft zich erbij neergelegd dat hij altijd zal blijven drinken. Ik niet. Sinds vijf jaar ben ik eraf.”

Ze vertelde uitgebreid over de therapieën die ze had gehad – een levensbeschouwelijke therapie had haar nog het meest geholpen. „Veel van die therapieën sleutelen alleen maar aan je persoon, maar ze moeten ook de leefomstandigheden willen beïnvloeden.” Ze had inmiddels gebroken met haar man, ook een zware drinker.

„Er wordt veel gedronken in Friesland”, zei ze, „zeker op het platteland. Ik heb het daar nog altijd moeilijk mee, vooral als ik met veel drinkende mensen in een kleine ruimte zit. Soms ga ik bewust eerder weg. De verleiding blijft. Laatst kreeg ik enorme zin om een fles Beerenburg te kopen. Toen heb ik meteen mijn oude kliniek gebeld en die hebben me er vanaf gepraat. In zulke situaties kan ik nog altijd bij ze terecht.’’

We waren in Leeuwarden aangekomen en liepen de stad in. Ze bleef honderduit praten. Ze wilde nog wat van haar leven maken, zei ze, al wist ze nog niet precies hoe. Werken in een verzorgingshuis, dat leek haar wel wat.

Op een straathoek namen we afscheid, met enige moeite. Onze beschermende instincten waren klaarwakker geworden. Klopte haar verhaal, vroegen we elkaar. In grote lijnen wel, was onze conclusie, maar zou ze werkelijk helemaal van de drank af zijn? Die jukbeenderen bleven ons dwarszitten.