Nederlander moet niet willen ‘duzen’ in Zwitserland

Op het oog heeft Zwitserland veel gemeen met Nederland. Maar al is het land ook calvinistisch, het Zwitserse calvinisme is van een veel hardere soort dan het Nederlandse. Zo wordt werken veel ernstiger genomen dan in ons land en raak je je inkomen er sneller kwijt.

Andries Waalberg, verkoop- en marketingdirecteur bij TNT Swiss Post in Aarau, zal zijn eerste sollicitatiegesprekken bij een Zwitsers bedrijf niet gauw vergeten: „Wat vond ik die Zwitsers afstandelijk en stijf.”

Dat was zeven jaar geleden. Hij werkte bij de Nederlandse post, en zocht een baan in Zwitserland omdat zijn vrouw daar bij Roche ging werken. De man tegenover hem had het alsmaar over „Herr Waalberg” en „Sie”. Waalberg stond op en zei: „Ik heet Andries. Herr Waalberg is mijn vader.” De man keek hem verbijsterd aan.

Pas toen hij was aangenomen, besefte Waalberg de portee van die blik. Hij zat bij een directievergadering. „Iedereen kende elkaar al tien jaar. En ze zeiden allemaal u tegen elkaar. De man die mij had aangenomen tutoyeerde mij als enige, omdat ik dat zo graag wilde.” Na afloop zei Waalberg tegen hem: „Je mág wel u zeggen, hoor.”

Bij mentaliteitsverschillen in het internationale zakendoen denkt iedereen aan Europeanen die met gaten in hun sokken aan een schoenloze Japanse zakenlunch zitten. Maar ook in een calvinistisch land als Zwitserland, dat op het eerste oog veel gemeen heeft met Nederland, staan nieuwkomers vaak versteld.

Veel van die verschillen zijn terug te voeren op het feit dat Zwitsers hun werk bloedserieus nemen. „Ze werken niet alleen hard”, zegt Louk de Wilde, voormalig topman van de bank MeesPierson in Genève (sinds eind jaren negentig onderdeel van Fortis), „ze zijn ook enorm productief. We hebben dat eens laten berekenen. De Zwitsers hadden hogere salarissen dan hun collega’s in België en Nederland, maar ze bleken twee keer zo effectief.”

Dat komt doordat Zwitserse werknemers keihard op hun functioneren worden afgerekend: je kunt hier elk moment ontslagen worden. Als je één jaar hebt gewerkt, krijg je een maandsalaris mee. Na drie jaar krijg je twee maandsalarissen, na negen jaar drie. Na ontslag krijg je acht maanden een WW-uitkering en dan even bijstand. Daarna houdt het op. Dit systeem maakt dat mensen permanent in de angst leven dat ze hun inkomen kwijtraken.

Jongeren vinden redelijk snel nieuw werk. Omdat bedrijven gemakkelijk werknemers ontslaan, nemen ze hen ook gemakkelijk aan. Waalberg, die zelf mensen de wacht heeft aangezegd, vertelt dat sommigen daarom zo’n slechtnieuwsgesprek betrekkelijk laconiek opnemen. Voor ouderen is werk vinden lastiger, zeker als ze een hoog inkomen gewend zijn en eindelijk een huis hebben gekocht. Daarvoor moet je in Zwitserland zeker 20 procent contant betalen – hetgeen verklaart waarom de meeste Zwitsers huizen huren. Iedereen kent mensen die zo’n drama hebben meegemaakt. Het huis wordt verkocht, kinderen worden van de privéschool gehaald. Echtgenotes moeten haastig op zoek naar een baan. In een land waar geld in status wordt uitgedrukt, komt dat hard aan.

Alleen voormalige legerofficieren ontspringen de dans. Bij Zwitserse bedrijven hebben zij een streepje voor. Niemand zegt er iets van als zij twee dagen per week met dienstbevelen bezig zijn. Buitenlandse chefs hebben er minder geduld mee. „Er wordt wat afgeschreven en getelefoneerd”, zegt De Wilde. „Ze zijn drie tot vijf weken per jaar weg voor reservedienst. Ik heb er acht meegemaakt. Daarna heb ik er vrijwel geen meer aangenomen.”

Angst voor ontslag zorgt er ook voor dat Zwitsers dociel bevelen opvolgen. „Ik werd le patron genoemd”, vertelt De Wilde. „Als je in Nederland directeur wordt, feliciteren mensen je. In Zwitserland schieten ze meteen in de houding: ‘Monsieur le Président, wat wilt u dat ik doe?’ Ondergeschikten komen nooit naar je toe met hun mening. Je moet het uit ze trekken. En dan nog zeggen ze wat jij wilt horen.” Het meeste hoorde hij van zijn chauffeur. Die vroeg dan voorzichtig: „Staat u mij toe u iets te vertellen?”

Klagen is taboe. Zo zijn de salarissen van veel bankmedewerkers al jaren praktisch bevroren, terwijl de top in 2005 maar liefst 17 procent meer verdiende dan in 2004. De bestbetaalde Zwitser, UBS-topman Marcel Ospel, verdiende vorig jaar 15,5 miljoen euro. „Mensen vinden dat niet fair”, zegt een bankier die anoniem wil blijven. „Maar ze zwijgen erover. Alleen aandeelhouders kaarten het aan.” Volgens hem past dat in de ‘het leven is hard’-houding die veel Zwitsers zo eigen is. „Ze hebben weinig plezier in hun werk.”

Dat merkt Andries Waalberg van TNT Swiss Post ook. „Zelfs grapjes tijdens een vergadering zijn not done. Werk is érg serieus!”

In Nederland ga je zitten en vraag je je personeel wat het probleem is. Je wilt dat zíj het verwoorden, en dan stuur je ze naar de oplossing toe. Dat wordt gewaardeerd. „Maar toen ik dat hier deed, vroegen de Zwitsers: ‘Weet je zelf dan niet wat het probleem is?’ Ze vonden me incompetent. Van de baas wordt verwacht dat hij decreten uitvaardigt. Als hij zegt dat iedereen linksaf moet, gáát iedereen linksaf.”

Zelfs formele medezeggenschap is in Zwitserland zwak ontwikkeld. „Ik zat in Nederland elke maand met veertien man van de ondernemingsraad om de tafel. Hier niet. Wij hebben geen OR. Er is zelfs geen roep naar.”

Ook Cornelis Bezuijen kent het Zwitserse arbeidsethos goed. Eerst werkte hij bij Swisscom. Nu is hij masseur in Bern: hij masseert ruggen, nekken en schouders van werknemers om de stress uit hun lichaam te krijgen en de rest van de dag energiek en geconcentreerd – en wellicht beter gehumeurd – door te komen. „Zwitsers”, zegt Bezuijen, „zijn geboren om te werken. Ze zitten langer op kantoor dan Nederlanders. Toch wordt hier vrijwel niets gedaan aan gezondheid op het werk. En dat in een land vol gezonde bergen en meren. Dan ontdek je dat ze vooral sparen en sparen, om dat huis te kunnen kopen. Ze genieten er nauwelijks van.”

Duitstaligen zijn het strengst in de leer. Bij hen hangen overal klokken aan de muur (één minuut te laat komen, en er wordt iets van gezegd), zij zijn het meest formeel. Frans- en Italiaanssprekenden zijn losser, bourgondischer. „Als ik bij Swisscom in Bern zei: ‘Wil je even dit of dat doen?’, dan moest het via de chef”, vertelt Bezuijen. „En schriftelijk. Creatief zijn werd ontmoedigd. In Lausanne kon er al meer. Franstaligen zijn meer ongecoördineerd.”

In Zwitserland komen nieuwe projecten ook traag van de grond. Nederlandse bedrijven, zegt Waalberg, proberen een goed idee snel uit. Je begint op één kantoor en kijkt hoe het loopt. Daarna voer je het op meer kantoren in, of je stopt ermee. „In Zwitserland doen ze een jaar studies en praten ze uitgebreid met klanten voor ze een project lanceren. Er mag niets misgaan. Alle worst case-scenario’s worden erop losgelaten. Als ze het project eindelijk invoeren, doen ze het groots. Het enige nadeel is dat de concurrent het tegen die tijd ook allang heeft.”

Wie denkt dat Zwitsers na zoveel ontberingen ’s avonds opgelucht de benen nemen, heeft het mis. Zwitserse personeelsverenigingen organiseren namelijk aan de lopende band feestjes, wandel- of skitochten en borrels. „Vaak”, zegt Bezuijen, „praten mensen dan alleen maar over werk. En partners zijn er bijna nooit bij.” Dat laatste is de anderen ook opgevallen. De Wilde deed eens een enquête bij de bank om te zien of er belangstelling was voor een personeelsuitstapje mét partners. Maar meer dan de helft voelde daar niet voor. Later kwam hij een mogelijke verklaring op het spoor: er waren opvallend veel liefdesaffaires op kantoor. Niet alleen tussen ‘gelijkwaardige’ collega’s, maar ook van directeuren met secretaresses of andere ondergeschikten. En er kraaide nooit een haan naar. Zelfs als mensen vinden dat het beoordelingsvermogen van de baas hieronder lijdt, zeggen ze er niets van. Dóórwerken, is het motto – met de kaken op elkaar.