Miljardair die de planeet ging redden

Paul van Vlissingen (ex-SHV) wilde geen commissariaten.

In plaats daarvan legde hij zich toe op natuurbehoud.

Door Philip de Witt Wijnen

Hij was niet bang voor de dood. Zoveel werd duidelijk in de vele interviews waarin Paul Fentener van Vlissingen, vanaf januari van dit jaar, zijn terminale ziekte aankondigde, zijn „laatste wandeling”.

In de Schotse krant Scotland on Sunday zei hij het zo: „Ik kijk naar indianen. Als zij hun dood zien naderen, bezoeken zij hun goede vrienden en familieleden om samen terug te kijken op de fijne dingen die ze hebben meegemaakt. Daarna zoeken zij een rustig plekje uit om in stilte te sterven, onbevreesd voor wat er komen gaat.” Van Vlissingen verruilde die maand zijn Schotse landgoed Letterewe voor zijn kasteel Lunenburg op de Utrechtse Heuvelrug om zijn dood af te wachten. Maandag overleed hij aan de gevolgen van pancreaskanker.

Van Vlissingen, in 1941 in Utrecht geboren, had dezelfde ziekte eerder overwonnen. In 1980 kreeg hij lymfeklierkanker, werd behandeld en genas. In zijn afscheidsrede in mei vorig jaar als president-commissaris bij familieconcern SHV noemde hij dat zijn „gezegende rampjaar”, waarin „de echte waarden binnen in mij werden vastgelegd”. De ziekte had hem de verdieping gegeven die hem bij SHV in staat stelde met humor en wijsheid te werken.”

‘PvV’, was een veelzijdig mens: zakenman, filosoof, publicist, fotograaf, natuurvorser en weldoener. Na zijn actieve carrière voor ‘de’ SHV (in 1896 ontstaan als groothandel in steenkool, later uitgegroeid tot conglomeraat van handelsactiviteiten en investeringsmaatschappij) nam hij doelbewust afscheid van het bedrijfsleven. Anders dan zijn eerder dit jaar overleden oudere broer Frits aanvaardde hij geen commissariaten.

Van Vlissingen ging zich vanaf zijn pensionering nog meer toeleggen op liefdadigheid, op vele gebieden. Hij was zich bewust van zijn bevoorrechte positie als iemand die met „een zilveren lepel in de mond” was geboren. Maandblad Quote schat zijn vermogen op 2,1 miljard euro. Van Vlissingen steunde kunst en cultuur, kankeronderzoek en armlastige studenten (die op de Groningse studentenvereniging Vindicat bestuursfuncties bekleden).

Maar vooral steunde hij de natuur. Het „redden van de planeet” werd zijn nieuwe missie. In Afrika vond hij de ruimte en mogelijkheden om daadwerkelijk wat uit te richten voor de aarde. „Daar moeten we zorgvuldiger mee omgaan”, zei hij in mei vorig jaar in NRC Handelsblad. Via de African Parks Foundation kocht Van Vlissingen uitgestrekte natuurgebieden op in verschillende Afrikaanse landen, om die verantwoord te beheren. Daarmee redde hij de natuur en bestreed hij armoede. Hij stak er zelf al een slordige 50 miljoen dollar in, „de prijs van een F-16”. De drijfveer van zijn pogingen de aarde te redden was zijn welvaart en het succes van het bedrijf. Want die kwamen voort uit de natuur. En dus, vond hij: „Wie wat wegneemt moet wat teruggeven.”

Aanvankelijk wilde Van Vlissingen helemaal niet werken voor het familiebedrijf. Hij begon zijn loopbaan, na een kort verblijf bij SHV, bij het Amerikaanse olieconcern Amoco. In 1968 keerde hij terug bij SHV, om er zes jaar later directielid te worden. In 1984 werd hij bestuursvoorzitter, en van 1998 tot 2005 was hij president-commissaris.

De aandeelhouders, waarvan zijn familie met ruim 60 procent de grootste is, kunnen tevreden zijn geweest over ‘zijn’ jaren, zo zei hij meermaals. De winst van SHV vervijfvoudigde onder zijn leiding ruimschoots, tot 317 miljoen euro in 2004.