‘Levensloop moet meer dekken’

De levensloopregeling kan de concurrentie met het spaarloon niet aan. Zes deskundigen weten hoe het beter moet. De overheid moet de inleg verdubbelen.

Claudia Kammer

De onwetendheid bij werknemers en werkgevers over de levensloopregeling is groot. Gerry Dietvorst, hoogleraar ‘fiscale en civielrechtelijke aspecten van toekomstvoorzieningen’ aan de Universiteit van Tilburg, zou er haast moedeloos van worden. „Mijn eigen zoon zei laatst: de levensloopregeling? Die wordt toch afgeschaft? En mijn dochter krijgt op haar salarisstrookje een werkgeversbijdrage van 7 procent voor de levensloopregeling. Maar wat ze daarmee kan doen, vertelt het bedrijf niet.”

De desinteresse voor de levensloopregeling is een probleem dat ook Peter Conneman, human resource-adviseur bij Mercer, in zijn werk tegenkomt. „Raden van bestuur worden meestal afgerekend op korte periodes, van drie, vier jaar. Veel ondernemers zeggen: dan is de levensloop toch al verdwenen.”

Dat komt allemaal, zegt Lans Bovenberg, CDA’er, hoogleraar economie in Tilburg en bedenker van de levensloopregeling, doordat de levensloopregeling een politiek compromis is. „Het CDA wilde de regeling invoeren, de VVD wilde het spaarloon behouden. De regeling die daaruit kwam, is nog niet af. Ze kan nu niet tegen de concurrentie met het spaarloon op. En ze is nog te duur voor de lagere inkomens.”

Dietvorst, Conneman, Bovenberg en drie andere deskundigen op het gebied van de levensloopregeling, onder wie PvdA-senator Frans Leijnse, presenteren vandaag een manifest met voorstellen om de levensloopregeling aan te passen. Ze sturen het naar de politieke partijen, opdat het discussie losmaakt in de aanloop naar de verkiezingen. „We hopen dat het ook een rol gaat spelen in de kabinetsformatie”, zegt Bovenberg.

In het manifest staan voorstellen om de levensloopregeling eenvoudiger te maken, zodat voor werknemers in één oogopslag duidelijk is wat het fiscale voordeel is. De regeling moet ook aantrekkelijk worden voor mensen met een lager inkomen. Bovendien moeten er meer bestedingsmogelijkheden voor het gespaarde levenslooptegoed komen. Want met de levensloopregeling mag nu alleen gespaard worden voor het financieren van verlof, bijvoorbeeld om voor kinderen te zorgen of om eerder te stoppen met werken. De schrijvers van het manifest willen dat de levensloopregeling „alle vormen van inkomensderving dekt”, zegt Bovenberg. „Je moet er ook een uitkering mee kunnen aanvullen als je een tijdje werkloos of arbeidsongeschikt bent.”

De aanbeveling die de werknemer het meeste zal aanspreken, is dat de overheid een duidelijke financiële bijdrage moet gaan betalen aan de levensloopregeling. Dietvorst: „Voor elke euro die de werknemer inlegt, moet de overheid er eentje bijleggen, tot een maximum van 300 euro per werknemer per jaar.” En werknemers die een kind krijgen, moeten een eenmalige, extra storting krijgen van maximaal 2.000 euro.

Dat kost de schatkist nauwelijks extra geld, verwachten de schrijvers. Het kan bijna ‘budgettair neutraal’ worden geregeld door een aantal fiscale voordeeltjes die nu achteraf verstrekt worden, om te vormen tot een storting vooraf in de levenslooppot. „Haal die prikkels naar voren”, zegt Bovenberg, „dat stimuleert meer om te gaan sparen.”

De schrijvers van het manifest hopen dat de levensloopregeling zo aantrekkelijker wordt dan het spaarloon. „Wij willen de twee eigenlijk integreren”, zegt Bovenberg. Conneman wil nog wel verder gaan: „Als je het mij vraagt, moeten we het spaarloon afschaffen. Zonder het fiscale snoepje van de werknemers af te pakken.”