In Hoppe mijden obers de fonkelnieuwe kassa

Nederland verandert. De bevolking, het landschap, de normen. Toch zijn er plekken waar de tijd lijkt stil te staan. Zoals in Café Hoppe in Amsterdam. Laatste deel in een serie.

Voor het eeuwenoude eikenhouten vat staat een plat computerscherm. Het systeem staat er werkloos bij en vloekt met het interieur van café Hoppe. Aan de muur hangen oude schilderijen en zwart-witfoto’s van bekende en onbekende stamgasten. Op de vloer ligt zand. De ingang wordt afgeschermd door zware fluwelen gordijnen. Achterin zitten mannen in een donkere hoek luidruchtig te praten. Glaasjes rum en jenever staan op het houten tafeltje.

De barmannen in Hoppe zijn rond de vijftig jaar oud – geen goedkope scholieren. Ze laten het fonkelnieuwe scherm voor wat het is. Bij café Hoppe (anno 1670) aan het Spui in Amsterdam verandert nooit iets. En dus is de invoering van de betaalcomputer kansloos.

Deze poging tot modernisering is een van de minieme sporen die horecaondernemer Sjoerd Kooistra achterlaat in café Hoppe. Vorig jaar voegde hij Hoppe toe aan zijn horeca-imperium. Maar hij heeft het café al weer in de verkoop gezet. Reden: de tent wordt geregeerd door vaste klanten, die ook nog eens weinig geld opbrengen zei Kooistra eerder in deze krant. „Ik snap echt niet dat iedereen altijd zo hoog opgeeft over Hoppe. Al die blazerij. Een voetbalkantine, meer is het niet”, zei hij ook in het interview.

Voetbalkantine? Barman Jaap van Lieshout is beledigd. Hij steekt een sigaar op en zucht. „Hoe kún je een historische kroeg vergelijken met iets banaals als een voetbalkroeg?”

Hoppe is een van de oudste cafés van Amsterdam. Het begon als een rumstokerij waar de drank meteen in het cafégedeelte kon worden opgedronken. Ten minste vier cafés in Amsterdam menen de eretitel ‘oudste’ te mogen dragen. Zoals café Karpershoek op de Martelaarsgracht die beweert al sinds 1606 het volk te vermaken. Hoppe is oud, maar in elk geval niet de aller-oudste.

Alleen een plakkaat van Coca Cola, vermoedelijk gemaakt in de jaren zestig van de vorige eeuw, verraadt enige verandering. Hoppe kán ook niet ver gaan. Dan overtreedt het eeuwenoude café de wet: het interieur staat op de lijst van de monumentenzorg. Ook de eigenaar van het pand – de familie Heineken – wil niet dat er iets verandert.

Behalve het computerscherm toont het interieur van Hoppe alsof het in een tijdsvacuüm heeft gezeten. Alsof een filmregisseur de bezoekers afschermt van moderne ontwikkelingen.

Toch zijn er ‘foutjes’ gemaakt van de regisseur in dit filmscript: het publiek is veranderd. Hoppe stond eind jaren zestig bekend als een plek waar journalisten en politici elkaar ontmoeten. Maar na verhuizingen van kranten zoals het Algemeen Handelsblad (in 1970 opgegaan in NRC Handelsblad) en De Telegraaf op de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal verloor het café een deel van zijn clientèle. Het was in Hoppe waar Hans van Mierlo, oud-redacteur van het Algemeen Handelsblad, geboorte gaf aan D66.

Van Mierlo komt er niet meer, zegt de barman. Journalisten laten zich ook minder zien dan eind jaren zeventig. Rond die tijd stroomde het bier bij Hoppe met liters uit de taps. Het café ging er destijds prat op de hoogste bieromzet per vierkante meter te genereren in heel Nederland.

Nog steeds staan er zeven biertanks van duizend liter in de kelder. Maar de hoogste bieromzet halen ze niet meer. Een tent in Volendam zegt volgens Van Lieshout nu het meeste bier per vierkante meter te verkopen.

„De vaste klantenkring is gevarieerder geworden”, zegt van Lieshout. „Er komen nu ook snelle jongens zoals advocaten uit de grachtengordel.” Maar een blik in de kroeg wijst uit dat het merendeel van de cafébezoekers rond de pensioensgerechtigde leeftijd zit.

Het maakt Gerda van Capellen niet uit. Ze komt een paar keer per week naar Hoppe. Met haar linkerhand pakt ze haar glas rosé, met de andere zwaait ze af en toe naar bekenden. „De sfeer blijft uniek. Het stikt hier nog altijd van de flamboyante types en de bijzonder gesprekken. Van politiek, de advocatuur tot het levenslied.”

Sinds Kooistra weg is, groeit de klandizie weer, zeggen stamgasten. Maar of de topjaren zullen terugkeren betwijfelt een oude man aan de bar. „Vijftien jaar geleden kon je op vrijdagmiddag over de hoofden lopen, zo druk was het.” Hij neemt een slok bier. „Hoe dan ook. Hoppe blijft altijd hetzelfde. Dat maakt het zo mooi.”