Ik kan niet van moderne huizen houden

Het beste gebouw op de Oostelijke Haveneilanden in Amsterdam? Daar hoefden de twee Amerikaanse bezoekers die ik rondleidde langs de nieuwe woonwijken niet lang over na te denken. Dat was het oude havenkantoor uit het begin van de twintigste eeuw. De basis van grove natuurstenen, de bakstenen muren met hun verschillende metselverbanden, de vooruitspringende bouwdelen die de gevel een mooi ritme gaven – dat zag je allemaal niet bij de eind 20ste-eeuwse nieuwbouw op de eilanden, vonden de Amerikanen.

Later, op het terras van café Amsterdam, stelde ik mezelf ook die vraag: wat is eigenlijk het beste gebouw hier in de omgeving? Café Amsterdam is gevestigd in het pompstation van het waterleidingbedrijf dat vroeger een deel van de Staatsliedenbuurt in beslag nam. In 1994 werd het een ‘autoluwe’ woonwijk met appartementenblokken, ontworpen door Nederlandse architecten van naam.

Ook ik hoefde niet lang na te denken: verreweg het mooiste gebouw is het pompstation van omstreeks 1900. Met zijn kasteelachtige voorkomen, zijn muren met pilasters en andere versieringen, zijn ramen met flauwe bogen en natuurstenen omlijstingen stelt het alle nieuwe gebouwen in de schaduw. Die hebben weliswaar ook gevels van bakstenen, maar die zijn volkomen glad en strak, alsof ze gemaakt zijn door een bouwvakker die één dag metselles heeft gehad. De ramen van de appartementen zijn sombere gaten.

Thuisgekomen stelde ik mezelf een nieuwe vraag. Wat vond ik eigenlijk prettig aan de nieuwbouwwoning in het door Rob Krier ontworpen appartementencomplex die ik sinds vijf jaar bewoon. Het uitzicht op het oude Amsterdam vanaf het dakterras, bedacht ik, het water voor de deur, de autovrije omgeving waar de kinderen kunnen spelen. Ook aan de dubbele hoogte van een deel van de woonkamer zou ik terugdenken als ik verhuisd zou zijn, en aan het exterieur van het complex met zijn drie ronde torens, die verschillende bezoekers voor verbouwde gashouders aanzagen.

Maar wat ik beslist niet zou missen zijn de deuren. Het zijn planken met armoedige deurkrukken. Ook de deurlijsten zijn armzalig. Van de holle gipswandjes, waaraan je niet eens een kapstok kunt ophangen, zou ik ook graag worden verlost, evenals van het goedkope pleisterwerk en de bespottelijke latjes die moeten doorgaan voor plinten.

Eigenlijk heeft mijn woning woning niet één detail waar ik van kan houden. Daarom zijn jaren-dertig-huizen tegenwoordig zo geliefd. Veel critici verklaren die populariteit als nostalgie naar voorbije, betere en veiligere tijden. Maar het ligt veel eenvoudiger: voor huizen uit de jaren dertig en nog vroegere tijden worden hoge prijzen betaald, omdat ze details hebben waar je van kunt houden. Ze hebben glas-in-loodramen, lambrizeringen, deuren met zorgvuldig gesneden randen en plafonds met stucwerk die je zult missen als je gaat verhuizen.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland moest herrijzen en de woningnood groot was, ging kwantiteit boven kwaliteit in de woningbouw. Nederland kreeg een woningbouw die de meest geïndustrialiseerde ter wereld werd. Toen in de jaren zestig de welvaart toenam en in de jaren zeventig de verzorgingsstaat zijn hoogtepunt bereikte, bleek de rationele Nederlandse bouwmachine onstopbaar. Aannemers konden en kunnen trouwens nog steeds niet anders bouwen dan met geprefabriceerde onderdelen, architecten wisten en weten dat ze niet moeten vragen om mooie details die met zorg moeten worden gemaakt. Zo komt het dat ook het laatste decennium van de 20-ste eeuw, toen Nederland rijker werd dan ooit en de architectuur volgens critici een gouden tijd beleefde, nauwelijks woningen heeft opgeleverd waar je van kunt houden.

Bernard Hulsman

woensdag@nrc.nl