Een ingetogen welkom

Morgen vindt in het hele land de eerste ceremoniële viering van de verkrijging van het Nederlandse staatsburgerschap plaats. Paul Scheffer meent dat we van nieuwkomers nooit iets mogen vragen wat we zelf niet bereid zijn op te brengen.

Soms is de actualiteit behulpzaam. Na alles wat de afgelopen maanden is gebeurd rond de naturalisatie van een Kamerlid, hoeft de betekenis van het staatsburgerschap niet meer te worden uitgelegd. Binnen onze grenzen, maar ook ver daarbuiten, heeft de val van het kabinet grote verbazing opgeroepen. Een land in verwarring, dat is nog de mildste kwalificatie. Het is deze onzekerheid, die de aanleiding vormt voor het nadenken over de betekenis van naturalisatie en de ceremoniële viering daarvan.

Naturalisatie is een uiting van de wil om als immigrant deel uit te maken van een nieuw land. En van de wil van de samenleving om de nieuwkomer op te nemen in haar midden. Dat zou een betekenisvol moment kunnen zijn, maar zo werd het jarenlang niet gezien. Het verstrekken van een paspoort was een louter bureaucratische aangelegenheid.

Het voorbeeld van midden jaren negentig ligt nog vers in het geheugen, toen Nederland ver voorop liep in Europa wat betreft het aantal naturalisaties. De ideeën achter deze veelvuldige toekenning van het staatsburgerschap waren nogal tegenstrijdig: terwijl de overheid het verkrijgen van een Nederlands paspoort vooral zag als een administratieve handeling, verwachtte men tegelijkertijd dat de gemakkelijke toegang tot het staatsburgerschap zeer behulpzaam zou kunnen zijn bij de integratie.

Een van de redenen om in de achter ons liggende jaren meer aandacht te vragen voor de verkrijging van de nieuwe nationaliteit lag in de kritiek van migranten zelf. Ik herinner me goed het ironische commentaar van de uit Casablanca afkomstige schrijver Fouad Laroui over de manier waarop de nationaliteit werd toegekend. „Mijn Nederlands was niet slecht. Om mijn kansen te vergroten leerde ik ook de genealogie van het Huis van Oranje, de hoogte van de bergen (!) en de breedte van de rivieren uit mijn hoofd. Ik las ook de biografie van de grote Thorbecke, die aan dit land zijn eerste democratische grondwet gaf. Ik dwaalde door de gangen van het Amsterdams Historisch Museum. In de Openbare Bibliotheek eiste ik het hele oeuvre van de Grote 3 op: Reve, Hermans, Mulisch.” Wat een teleurstelling, de hele procedure nam nog geen vijf minuten in beslag. Geen enkele vraag, geen enkele interesse, het betrof louter een formaliteit.

De uit Iran afkomstige jurist Afshin Ellian beschreef al weer jaren geleden dezelfde desillusie: „Ik heb de belangrijkste beslissing over mijn leven per post gekregen, namelijk mijn Nederlandse burgerschap. Het was niet meer dan een administratieve brief, ondertekend door Nawijn, toen directeur Immigratie- en Naturalisatiedienst. Een diep gevoel van schaamte en teleurstelling temperde mijn vreugde.”

De betrekkelijke onverschilligheid werd vooral gezien als een tegemoetkoming aan de Nederlanders in spe. Men ging immigranten, die het toch al moeilijk hadden, toch niet lastigvallen met ingewikkelde vragen over taalbeheersing of kennis van het nieuwe land?

Achteraf gezien was deze tolerantie nogal oppervlakkig. Want in het niet stellen van een vraag werd ook duidelijk gemaakt dat men niet op een antwoord zat te wachten. Zeker, het was een vorm van wederkerigheid, namelijk gedeelde gemakzucht.

Gevraagd is inmiddels iets anders, we komen er niet meer met een afwachtende en vermijdende houding. Maar wanneer burgers en bestuurders meer willen maken van naturalisatie, dan raken we verstrikt in moeilijke vragen, die de hele samenleving raken. Omdat we niet goed weten in welke mate we ons zelf nog verbonden voelen met het grotere geheel, weten we niet wat we wel en niet kunnen vragen van nieuwkomers. Anders gezegd: integratie vraagt om zelfonderzoek, en daar was niet erg veel animo voor.

Laat ik een voorbeeld noemen. Enkele jaren geleden moest ik voor een tv-programma in een kwartier een lijst samenstellen van tien vragen die iedere nieuwkomer zou moeten kunnen beantwoorden. Ik ging aan de slag. Het eerste wat ik dacht was dat iedereen de betekenis zou moeten weten van het spreekwoord ‘wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in’. Dat leek me nu bij uitstek een Nederlands gezegde.

Verder meende ik dat het goed zou zijn wanneer nieuwkomers zouden weten hoeveel leden de Tweede Kamer heeft. Met die vraag gingen de programmamakers de markt op en vroegen autochtonen naar het aantal Kamerleden (ik zeg er even voor de zekerheid bij: het zijn er honderdvijftig, niet honderdnegenenveertig). De antwoorden waren verbijsterend: ergens tussen de 20 en 450. Het ietwat triomfantelijke commentaar luidde: zie je wel, al die vragen die je had verzonnen zijn allemaal onzin. Zelfs de autochtone inwoners van het land hebben geen idee, waarom zouden nieuwkomers dat wel hebben? Ik dacht precies het tegenovergestelde: wat is het treurig dat zo weinig mensen op de hoogte zijn van onze parlementaire democratie.

Het gaat me natuurlijk niet om het aantal Kamerleden, maar om de verwachting die we hebben. We moeten niet het hedendaagse gebrek aan betrokkenheid en kennis tot maatstaf nemen, maar proberen de samenleving op een hoger plan te brengen.

Zo stuiten we op de grondregel van alle integratie: de ingezetenen mogen nooit iets van nieuwkomers vragen wat ze zelf niet bereid zijn om op te brengen. De vraag naar inburgering slaat hard terug op degenen die hem stellen. Eigenlijk zou men kunnen zeggen dat de integratie heel voorspoedig verloopt, maar dan wel in een samenleving die zichzelf tekortdoet.

Dat is de achtergrond van de gedachte dat we het verwerven van staatsburgerschap niet moeten relativeren, maar moeten markeren. Wie ooit zo’n ritueel heeft gezien in een land als Canada weet dat het de betrokkenen, maar ook de toeschouwers raakt. Ach, wat zijn we hoogmoedig geweest: wij hoefden niets te leren van de klassieke immigratielanden, wij hadden zulke rare rituelen niet nodig, we zijn namelijk zo verdraagzaam dat we het onszelf vooral niet moeilijk willen maken.

Zo’n ceremonie dient verschillende doelen. We verbeelden de verandering van onze steden, we spreken een verwachting uit ten opzichte van de nieuwe landgenoten en we gaan een verplichting aan als samenleving. Allereerst wordt iets zichtbaar gemaakt.

Neem een stad als Amsterdam waar elk jaar rond de drieduizend immigranten worden genaturaliseerd. Door een paar keer per jaar deze nieuwe Nederlanders op een mooie locatie bijeen te brengen scheppen we een beeld van de continue verandering van de stad.

Bovendien spreken we zo een verwachting uit: de hoop is dat de nieuwe burgers zichzelf niet zien als buitenstaanders, maar als vormgevers van de samenleving. Kwame Anthony Appiah, hoogleraar aan Harvard, vertelt over de levensles die hij van zijn uit Ghana afkomstige vader heeft meegekregen: „‘Denk eraan dat jullie wereldburgers zijn’. Dat betekende naar zijn zeggen dat we, welke plaats we ook als woonplaats zouden kiezen altijd moesten zorgen die plaats ‘beter achter te laten’ dan we haar hadden aangetroffen”.

En ten slotte gaan we een verplichting aan: door de nieuwkomers uitdrukkelijk te verwelkomen zegt een samenleving dat ze ook een belangrijke plaats hebben in het geheel. In het welkom ligt niet alleen een verwachting, maar ook een opdracht om ruimte te maken, om migranten te zien als een volwaardig onderdeel van de samenleving. Dat vraagt om een volwassen immigratiebeleid met heldere criteria voor toelating en naturalisatie.

Nu de stap wordt gezet om zo’n ceremonie in te stellen – en dat is na jaren van aarzeling eindelijk gedaan door de huidige regering – dan komen er nog lastige vragen. Want hoe moet zo’n ceremonie worden vormgegeven. Met elke keuze zeggen we iets over onszelf. Neem de voorlichtingsfilm waarin zoenende homo’s figureren, die zoals ik onlangs merkte helder op het netvlies stonden van een Pakistaanse taxichauffeur in Chicago.

Hoe zal het er morgen aan toe gaan? Vinden we bijvoorbeeld dat het volkslied moet worden gezongen? Dat zal in Amsterdam gebeuren onder leiding van een heuse bariton en met schermen waarop de tekst nagezongen kan worden. Een soort patriottische karaoke.

Maar als we het zo belangrijk vinden, waarom zingen we het Wilhelmus dan alleen nog maar in het voetbalstadion en op Koninginnedag? Ik weet niet of het nodig is – van mij hoeft het niet – maar of we doen allemaal iets met het volkslied of we laten het rusten onder het stof. De ingezetenen mogen immers niet meer vragen dan ze zelf bereid zijn om op te brengen.

Willen we dat de nieuwe Nederlanders een eed op de Grondwet afleggen, zoals onder meer in de Verenigde Staten gebruikelijk is? Daar zeggen de naturalisandi onder meer: „I will support and defend the Constitution and the laws of the United States of America against all enemies, foreign and domestic”. Zo’n eed is een goed idee, omdat het de verplichting met zich meebrengt dat de ingezetenen hun eigen grondwet veel beter leren kennen.

En zo roept elk vraag een wedervraag op, brengt elke verplichting een andere met zich mee. Dat is echte integratie, dat is de wederkerigheid die we moeten zoeken.

Kijken we nader naar de vormgeving van zo’n viering van de naturalisatie. Wat zou het mooi zijn om een schrijver als Kader Abdolah te horen vertellen over zijn zoektocht in Nederland. Hij zou kunnen voorlezen uit zijn roman De reis van de flessen. Een passage als de volgende: „We waren ineens uit een cultuur waarin alles achter gordijnen gebeurde, in een halfnaakte samenleving gevallen. Ik dacht dat ik voorlopig mijn mond zou moeten houden en goed zou moeten kijken, goed luisteren naar mijn omgeving.” Zijn gezin valt ten prooi aan dezelfde cultuurschok, zijn vrouw wil minder en minder met hem te maken hebben: „Eigenlijk had ik haar niets aantrekkelijks meer te bieden. In mijn vaderland was ik een man met perspectief. Mijn positie was duidelijk. Maar wie was ik nu? Een zoeker naar kortstondige baantjes.” We weten dat het toch nog goed is gekomen.

Zeker, we hebben burgemeestersproza nodig bij zo’n ritueel, maar ook ondernemers, sporters, politici, schrijvers en wie al niet het woord kunnen voeren. Mensen die hier zijn geboren of juist mensen met een achtergrond als migrant. We kunnen schoolklassen erbij betrekken. Er wordt in de lessen gesproken over het belang van burgerschap en het ligt erg voor de hand om het naturalisatieceremonieel daar een plaats in te geven.

Sommigen zijn bang dat zo’n viering een vertoon van nationalisme zal worden. Veel verheven toespraken over het nieuwe land, veel zelfgenoegzame uitingen van vaderlandsliefde. Maar dat is helemaal niet nodig, ook al valt er veel te zeggen over de verworvenheden van dit land – zeker wanneer we onze vrijheden vergelijken met de onderdrukking in veel van de landen van herkomst.

Het welkom kan ook ingetogen zijn, het ceremonieel kan ook een oefening in bescheidenheid zijn. Of we daar toe in staat zijn in ons onhandige, tamelijk bruuske land, zal moeten blijken.

In elk geval behoort er ruimte te zijn voor onafhankelijke waarnemingen. Het ritueel moet namelijk deel uitmaken van een opvatting over integratie. Wat we willen vieren is het burgerschap van een land dat prijs stelt op kritische inwoners en geen volgzame onderdanen wil kneden.

Het ideaal van een open samenleving is gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling en op de vrijheid om te kiezen. En die vrijheid betekent dat binding nooit afgedwongen kan worden.

Kader Abdolah schreef ooit: „Dit land is nu ook van ons.” Ik zou hopen dat hij hetzelfde zou willen zeggen in de eerste persoon enkelvoud: „Dit land is nu ook van mij.” Hoe het ook zij, de vereenzelviging met een samenleving kan alleen maar voorwaardelijk zijn. Er kan reden zijn voor plaatsvervangende trots, maar ook voor plaatsvervangende schaamte, zoals in de laatste maanden naar aanleiding van de affaire rond Hirsi Ali. De binding met een wijdere omgeving gaat uiteindelijk niet over trots of schaamte, maar om een gevoel van verantwoordelijkheid.

Eigenlijk willen we dat de nieuwkomers deel worden van ons betere wij. De nieuwkomers moeten zich inspannen om zich een plaats te verwerven, net zoals de samenleving zich verder moet ontwikkelen om de instemming van nieuwkomers te verdienen. Zo zien we dat de komst van migranten een unieke mogelijkheid tot zelfbespiegeling en zelfverbetering biedt. De woorden van een liberale rechter uit Amerika tijdens een naturalisatieceremonie bieden een goede leidraad: „Ik zei het al en ik zal het blijven herhalen: dit land is nog niet voltooid. Het is behept met vele tekortkomingen.”

Paul Scheffer is publicist en bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. In 2000 schreef hij in NRC Handelsblad het baanbrekende essay ‘Het multiculturele drama’.

‘Het multiculturele drama’ is na te lezen op www.nrc.nl/opinie.