‘De enige plek in Vlaanderen waar je nog kan verdwalen’

Hoe koestert een land zijn natuur? Onze correspondenten reizen deze zomer langs natuurparken. Vandaag de Hoge Kempen in België.

„Ruimtelijke ordening? Ordeloze ruimte lijkt me Belgischer”, schrijft Geert van Istendael in zijn bekende werk Het Belgisch labyrint waarvan inmiddels zestien drukken zijn verschenen. Het Belgisch landschap is voor velen synoniem voor chaos en lelijkheid. Of, in de woorden van Van Istendael: „De open ruimte in Vlaanderen is volgestouwd. De onverschilligheid voor alles wat natuur is in Vlaanderen én Wallonië is schrikbarend groot.”

België en natuurschoon; het is niet een echt voor de hand liggende combinatie. Inderdaad, het land heeft zijn – zeker voor Nederlandse begrippen – ‘ruige’ Ardennen die automobilisten via de E25 dan wel de E411 op weg naar hun vakantiebestemming in Frankrijk kunnen doorkruisen. Aan de andere kant heeft het ook nog Het Zwin, het stukje bijzondere kust bestaande uit slik en schorre in de buurt van Knokke dat in 1952 tot beschermd gebied werd uitgeroepen. Maar dat is het dan wel.

Het wordt ook niet als een gemis ervaren. Uit een recent onderzoek kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Belgen over het algemeen weinig op hebben met de schoonheid van de kust. De belangrijkste reden voor hen om bij binnenlandse uitstapjes naar de Ardennen te trekken was omdat dat de mensen er zo aardig zijn, leerde hetzelfde onderzoek.

„De aandacht voor de eigen natuur is in België onderontwikkeld”, zegt Ignace Schops. Hij staat op het hoogste deel van het Nationaal Park Hoge Kempen van waaraf een goed beeld is te krijgen van het zeer recent van een beschermde status voorziene stuk groen. Sinds 26 maart van dit jaar kent België op het Kempens Plateau zijn eerste Nationaal Park. Het heeft een oppervlakte van 5.746 hectare, wat in de gebruikelijke vergelijking overeenkomt met 11.492 voetbalvelden. Schops is één van de grondleggers van het Park en nu directeur regionaal landschap Kempen en Maasland.

De van oorsprong bioloog heeft wel een verklaring voor het relatief geringe natuurbewustzijn van zijn landgenoten. Vooral ook als dat vergeleken wordt met Nederland en zijn honderdduizenden leden tellende natuurorganisaties die een vaak lange historie kennen. De Vereniging Natuurmonumenten werd bijvoorbeeld al in 1905 opgericht. Schops: „De aandacht van toen kwam voort uit de romantische periode. Je zag bij ons iets soortgelijks. Maar wij kregen kort daarop in België te maken met de Eerste Wereldoorlog, daarna was het idee geheel weg. Later kregen we onze rijke tijd in Congo. Dat was voor natuuronderzoekers een veel grotere uitdaging. Het is toch stukken interessanter in Afrika apen te onderzoeken dan in Vlaanderen veldwerk te doen?”

Een omvangrijke actieve milieubeweging kent België evenmin, hoewel begin jaren tachtig de actiegroep Anders Gaan Leven (Agalev) in Vlaanderen opeens wel een politieke factor werd toen deze met drie zetels in het regionale parlement terecht kwam. Maar deze voorloper van de Groenen had meer dan alleen zorg voor het milieu in het programma staan. Het was mede dankzij de groene Vlaamse minister Vera Dua van landbouw en leefmilieu dat het plan voor een nationaal park concreet kon worden uitgewerkt.

Het idee hiervoor ontstond in 1997, zeer Belgisch, in het café. Samen met vier natuurvrienden raakte Schops aan de praat over het creëren van een nationaal park. Dat zou eenvoudig kunnen door bestaande natuurgebieden in de Kempen zoals de Mechelse Heide en de Ziepbeekvallei samen met de omringende openbare bossen onder één geheel te brengen. Eén van hun voorbeelden was het Nationaal Park de Hoge Veluwe in Nederland. Begin jaren negentig was ook wel eens geopperd aan de „ecologische wederopbouw van Vlaanderen” in de Kempen te beginnen, maar toen was het politieke klimaat er nog niet rijp voor.

Dat het een aantal jaren later wel kon, heeft alles te maken met het marktdenken dat toen ook voor natuurbeschermers bespreekbaar was. Schops is een ware gelovige van het win-win principe. „Ecologie en economie kunnen soms heel goed samen”, zegt hij. De financiële middelen van diverse overheden inclusief een forse Europese subsidie kwamen vrij nadat duidelijk was gemaakt dat het park ook als toeristische trekker kon fungeren. En inderdaad, met even veel gemak praat Schops over de overvliegende buizerd als over de „visitor payback” die het nationaal park kan genereren. De gedachte is simpel: het nationaal park kan geld opleveren op voorwaarde dat het ook een echt natuurpark wordt. Met andere woorden: de toeristenindustrie mag zich aan de randen maar absoluut niet in het park ontwikkelen. Schops: „Bier, ijs en overnachtingen, allemaal buiten het park.” En wat zich nu nog aan oneigenlijke activiteiten binnen de grenzen van het park bevindt, moet de komende jaren verdwijnen.

Vanaf het hoge gedeelte in het park vlakbij de plaats Eisden zijn de laatste restanten van de Belgische mijnbouwindustrie nog te zien. Ook de schoorstenen van DSM in Nederlands Limburg zijn vanaf deze plek goed zichtbaar. Iets dichterbij, in het natuurpark zelf ligt de door de Belgische multinational Sibelgo beheerde zandafgraving. Er wordt gezegd dat op die plaats het witste zand ter wereld is te vinden. Met het bedrijf zijn afspraken gemaakt over sluiting op termijn. Verderop ligt nog een motorcrosscircuit. Dit zal uiterlijk in 2012 moeten zijn verplaatst. En dan is er nog het asielzoekerscentrum, dat ook uiterlijk in 2012 zal moeten zijn gesloten.

In het park zijn inmiddels 36 bewegwijzerde wandelpaden van in totaal ruim honderd kilometer uitgezet. Schops: ,,Dat is veertig kilometer minder dan er vroeger aan paden was, maar dat moet je natuurlijk niet van te voren tegen politici zeggen’’. Ook is het eerste ecoduct opgeleverd waarover het wild veilig de E314 kan oversteken die het park doormidden snijdt. Want die snelweg is een gegeven.

Een natuurpark in een dichtbevolkt gebied blijft behelpen. Het hangt aan elkaar van compromissen tussen mens en natuur. Maar Schops ziet het liever positief: „Het is de enige plek in Vlaanderen waar je nog kan verdwalen.” Nog één wens heeft de directeur. Graag zou hij Belgische politici een weekje vakantie aanbieden. Niet bij zijn park, maar midden in het Ruhrgebied. „Dan zien ze hoe belangrijk zo’n natuurgebied is.”