De bijbaan van Günter Grass

Er is een neiging om schrijvers te behandelen als heiligen. Of in elk geval als morele instanties. Misschien komt dat omdat er verder niet zoveel autoriteiten met gezag meer zijn: politici niet meer, captains-of-industry niet, predikanten niet, docenten niet. Allemaal zijn ze successievelijk van hun voetstuk getrokken in het kader van de democratisering, de emancipatie, de verontwaardiging, het populisme en wat al niet. En dat in Nederland meestal nog wat meer dan elders, zoals een beetje schakelen op televisie en een vergelijking van alledaagse omgangsvormen in een aantal landen al gauw leert.

Schrijvers bleef dat gezagsverlies bespaard, ja, menigeen groeide zelfs in zijn of haar rol. En dat terwijl een goed schrijver toch in eerste en laatste instantie geroepen is om goed te schrijven. En dat ook terwijl het morele of politieke oordeel van een schrijver meestal niet van een hogere of lagere kwaliteit is dan van zoveel andere stervelingen. Er zijn in de literaire geschiedenis dan ook genoeg voorbeelden van schrijvers met eeuwigheidswaarde die er verderfelijke opvattingen op nahielden. Iedereen kan er zijn of haar eigen toptien van samenstellen.

Maar hoe dat ook zij, schrijvers doken in het gat van de morele leegte, het gezagsverlies van andere publieke figuren. Of ze werden er tegen hun zin gewoon ingetrokken. Günter Grass is/was zo iemand: het geweten van een natie, zoals de Duitse media hem nu al decennialang aankondigen.

Het politieke oordeel of de maatschappijkritiek van Günter Grass heeft mij nooit zo kunnen bekoren. Grass’ afschuw over de Duitse jaren vijftig en over de eerste Duitse kanselier Konrad Adenauer was altijd een nogal gemakkelijk nummer en minder genuanceerd dan je mocht verwachten van iemand die luistert en leest. Grass kon virtuoos tekeergaan tegen ‘al die leugens en die hele katholieke miezerigheid’ en had altijd tirades paraat tegen de daarbij horende kleinburgerlijkheid – tegen de Spiessbürger.

Deze hardhandige inkleuring van de jaren vijftig was niet vrijblijvend en ging een geheel eigen leven leiden. Onder aanvoering van het echtpaar Alexander en Margarethe Mitscherlich werd nota bene de theorie verder ontwikkeld dat de Duitser in die jaren vijftig de vaardigheid tot verdriet had verloren en alle oorlogskwaad had verdrongen: die Unfähigkeit zu trauen. Dit was de titel van een standaardwerk dat jaren onbetwistbaar was en eigenlijk pas het laatste decennium is weerlegd in een reeks nieuwe studies over die jaren vijftig.

Als intellectuele en literaire held van de babyboomgeneratie ontpopte Günter Grass zich al doende inderdaad tot het geweten van de natie. En al kreeg hij nooit de populistische streken van sommige anderen in zijn kielzog, hij werd razend populair ook als Bekende Duitser.

In het grote interview donderdag met de ARD liet Günter Grass zich ontvallen dat in de loop van de jaren zijn schaamte over het lidmaatschap van de Waffen-SS was toegenomen. Over de subjectieve kanten van dit gevoel is het moeilijk oordelen, maar in objectieve zin is de groei van die schaamte wel enigszins verklaarbaar.

Mensen weten over het algemeen steeds minder van de oorlog en gebrek aan kennis is al lang geen reden voor bescheidenheid meer. Filmische impressies en symboliek bieden het materiaal voor vlotte morele oordelen en het schema is simpel: je hebt daders en slachtoffers. En dus wat Grass betreft – hij deed altijd denken aan slachtoffers maar hij is dus een dader. Immers, lid van de Waffen-SS. En deze laatste twee letters zeggen alles, het is de vreselijkste afkorting van de twintigste eeuw. SS – dan weten we genoeg…

Met andere woorden, wat een vrij normale stap van een Duitse puber was en zo ook nog werd gezien in de jaren vijftig, kon in het goed-fout-simplisme van de jaren daarna uitgroeien tot een soort misdaad tegen de menselijkheid. In zoverre is de 78-jarige Günter Grass nu het slachtoffer van een populistisch moralisme, van het vlotte oordeel dat de plaats inneemt van de terughoudendheid die gepast is wanneer een mens zich ziet geconfronteerd met de veelzijdigheid en de subtiliteiten van de historische werkelijkheid.

In het Duitse weekblad Die Zeit komt Bernd Wegner aan het woord, historicus en auteur van het standaardwerk over de Waffen-SS (Hitlers politische Soldaten). Hij zegt daarin dat de Waffen-SS zeker na de mislukte putsch tegen Hitler van 20 juli 1944 een vrij normaal deel van de strijdkrachten werd en dat de vrijwilligheid van de militairen nog maar heel betrekkelijk was. Met nazimisdaden had de bewuste pantserdivisie ook niets meer van doen. Wat Grass deed was, aldus Wegner een „betrekkelijk normale Duitse levensloop”.

Men neme een Pruisisch kind van 15 dat gefascineerd is door de beeldende verhalen van de Duitse onderzeeërs en dat daar wel bij wil horen, dat zich vergeefs aanmeldt en dat anderhalf jaar later – de nood is dan hoog – mag toetreden tot de gemotoriseerde Frundsbergdivisie. Dat is toch gewoon spannend, en hoe spectaculair moet een motor met zijspan niet zijn voor een jongen van net zeventien, levend in 1944? Günter Grass krijgt nu, levend in 2006, de volle laag.

De echte zwakte – of het raadsel – blijft veel meer dat hij de voosheid van zijn eigen publieke functie ‘geweten van de natie’ niet veel eerder aan de kaak heeft gesteld, niet veel eerder ongerust is geworden over zijn politieke en maatschappelijke succes en over de prijs die daarvoor moest worden betaald in de vorm van al die neerbuigendheid jegens de kleine Otto Normalverbraucher in zijn land?

Het ‘geweten van de natie’ is voor een schrijver immers toch hooguit een bijbaan, nietwaar.