Zoek de lyriek in de kliniek

Menno Wigman verbleef ter inspiratie drie maanden in een inrichting.

De poëzie van de patiënten was minder goed dan verwacht.

Als kind ging Menno Wigman (1966) wel eens met wat vriendjes vissen in een mooi meertje op het terrein van het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort, dat in 1849 in de duinen bij Bloemendaal als ‘krankzinnigengesticht’ werd geopend en dat inmiddels alweer jaren dicht is. Santpoort was een ‘gekkendorp’, wat inhield dat er veel contact was tussen de patiënten en de dorpsbewoners. Wigman: „We dachten op school eens dat we een nieuwe aardrijkskundeleraar hadden, maar dat bleek een overspannen docent die spontaan weer voor de klas ging staan. Later zie je daarvan pas de tragiek in.”

Afgelopen najaar keerde Wigman terug naar zijn jeugd: van oktober 2005 tot januari 2006 verbleef hij in de Willem Arntszhoeve in Den Dolder, ‘een complex voor geestelijke gezondheidszorg’. Opnieuw in een landelijke omgeving, in dit geval nabij de Utrechtse Heuvelrug.

Waarom ging u naar Den Dolder? Vast niet alleen omdat Gerrit Achterberg er even heeft gezeten.

„Sinds 1998 worden kunstenaars door Stichting Het Vijfde Seizoen uitgenodigd om drie maanden in paviljoen ‘Het Vijfde Seizoen’ op het terrein te komen wonen. Het idee erachter is dat de kunstenaar zich laat inspireren door de omgeving, en dat hij iets onderneemt met de mensen die daar verblijven. Ik wilde een logboek bijhouden, om in de patiëntendossiers te zoeken naar gedichten van vier, vijf decennia geleden en ik was erg benieuwd naar de poëzie die er tegenwoordig wordt geschreven.”

En, schrijven ze goede poëzie?

„Nee. Het was een teleurstelling. Als je echt verward bent, dan heb je minder emotionele distantie, dan kun je geen maat houden. De gedichten die ik te zien kreeg, waren emotionele erupties. En vaak nog op rijm, maar dan Sinterklaasrijm. De ‘lyriek uit de kliniek’ zat hem eerder in de levensverhalen van de bewoners, en in de kleine grillige briefjes die ik wel eens onder ogen kreeg. Teksten zonder pretentie. Ik ben altijd al benieuwd geweest naar dat soort briefjes. Ik pak ze ook van straat op, in de hoop dat zo’n tekst het wereldraadsel oplost.”

Heeft u nog gezocht naar gedichten uit vroegere decennia?

„Dat wilde ik wel, maar de patiëntendossiers zijn niet openbaar. Ik zou overigens weinig hebben gevonden: een hoogleraar in de geschiedenis van de psychiatrie heeft eens op goed geluk driehonderd oude dossiers doorgespit en vond maar twee, drie gedichten. Gedichten worden niet bewaard, patiënten hechten er zelf ook niet altijd waarde aan. Als het eruit is, is het eruit. Ik heb wel een gedicht uit 1869 gevonden, van een patiënt die afscheid neemt van een kliniek in Franeker. Het is een lofzang van tweehonderd regels op zijn tijd in de inrichting. In mijn logboek citeer ik er wat strofes uit.’’

Hoe heeft u die drie maanden ‘research’ zelf ervaren?

„Veel vrienden wezen naar hun voorhoofd toen ik ze vertelde wat ik ging doen. Ik zag het als een omgeving waar ik tot rust zou kunnen komen. Ik heb er ook hard gewerkt, veel gedichten geschreven. Maar ik raakte er wel vervreemd. Ik werd steeds somberder, steeds moedelozer van het leed dat ik zag. Er moet echt wel wat gebeuren voordat je wordt opgenomen.”

Had u veel contact met de patiënten?

„Ik raakte steeds meer begaan met het lot van sommigen van hen. In het begin hield ik het contact af. Daarna heb ik gedichten met ze doorgenomen. Ik heb weinig durven sturen, weinig kritiek geuit, omdat de relatie tussen hun teksten en hun emotionele leven zo nauw is. Ze kennen geen ironie. Op een van mijn laatste dagen hebben ze hun gedichten voorgedragen. Dat was een meer dan ontroerende bijeenkomst.”

Het gesticht van Menno Wigman verschijnt in oktober bij uitgeverij Prometheus.