Wereldspelers grossieren in slechte betrekkingen

Hopelijk deelt niet heel Clingendael de rozige kijk van Alfred Pijpers op de `uitstekende onderlinge betrekkingen` tussen de belangrijkste wereldspelers (Opiniepagina, 15 augustus). Afgezien van de hardnekkige spanningen binnen het westerse kamp: India en Pakistan balanceren al decennia op het randje van oorlog. Tussen China en Japan zijn de verhoudingen verziekt. Bij de NAVO-uitbreiding met traditioneel Russisch schootsveld heeft Moskou zich met grote tegenzin moeten neerleggen; des te hardnekkiger hanteert het zijn energiebronnen als politiek wapen. Dat deswegen Moskou in het islamitische Tsjetsjenië ongestoord zijn gang kan gaan, versterkt het antiwesterse complotdenken in moslimkringen. Met China poogt Rusland via Syrië en Iran tegenwicht tegen de Amerikaanse penetratie van het Midden-Oosten te bieden; de vruchten daarvan plukt Bush nu in Libanon en Irak. Van `nauwe samenwerking in conflictgebieden` is geen sprake. De bewapeningsproblematiek is evenmin afwezig, en anders dan in 1914, heeft Washington de diplomatieke betrekkingen met landen die het zelf als potentieel gevaar ziet, verbroken.

De Eerste Wereldoorlog brak niet uit, omdat iemand die graag wilde, maar omdat niemand bij machte bleek die tegen te houden, vanwege gezichtsverlies.

Ook veel van het koppige optreden van Bush en Blair vloeit voort uit onwil eigen eerder falen te erkennen. Voor dictaturen geldt hetzelfde, alleen is dat minder zichtbaar.

Geen grote mogendheid wil een groot conflict, maar dat sluit ontsporing niet uit. De escalatie in Libanon met de machteloze oproepen aan Damascus `to stop that shit` maakt duidelijk hoezeer de VS hun grip verloren hadden. Dat is precies de `onbeheersbaarheid` waar Holbrooke in zijn artikel in deze krant van 11 augustus op doelt.