Rechters en waarheid

De Nederlandse strafrechtspraak ligt onder vuur. Het zou al heel wat helpen als zij zich duidelijker uitsprak.

‘De strafrechter is niet geïnteresseerd in de waarheid’. Dat zegt emeritus hoogleraar W. Wagenaar, een psychologisch deskundige in rechtszaken, in een interview met het Advocatenblad van 11 augustus. Hij noemt dat „een ernstige beschuldiging”. Dat is inderdaad het woord. In het strafrecht staat, meer dan in andere takken van het recht, de waarheidsvinding centraal. Juist daarom beschikt de strafjustitie over zeer ingrijpende dwangmiddelen.

Wagenaars kritiek heeft vooral betrekking op de bewijsvoering in de rechtszaal. Hij geeft dit voorbeeld: in zedenzaken – een notoir lastige materie – worden per jaar ongeveer 1.200 audiovisuele opnamen gemaakt van verhoren tijdens het vooronderzoek. Rechters op de zitting bekijken daarvan volgens hem nog niet één procent maar beperken zich er toe „af te vinken” of de samenvatting van de politie voldoende bewijs oplevert.

Ook juristen maken zich zorgen dat de openbare terechtzitting in strafzaken in Nederland wel erg ‘op schrift’ is geraakt, waarbij het dossier centraal staat. Dat de rechter relatief weinig doorvraagt naar de werkelijkheid achter het papier verdraagt zich slecht met het beginsel van de ‘onmiddellijkheid’: iemand kan alleen worden veroordeeld op grond van wat ter zitting blijkt. In negentig tot vijfennegentig procent van de processen is dat overigens niet zo’n probleem, vindt Wagenaar, want daarin staan de feiten wel vast. Dat is overigens niet zozeer een verdienste van de rechter als wel van het openbaar ministerie dat de zwakste zaken niet voor de rechter brengt.

Alertheid blijft echter geboden. Het OM voelt zich er niet boven verheven om zwakke plekken in de aangeleverde dossiers te verdoezelen. Niet alleen wat betreft het feitenmateriaal maar ook wat betreft discutabele methoden bij de opsporing. Overtuigende feiten kunnen in de rechtszaal alsnog afvallen omdat ze op een onbehoorlijke manier zijn verkregen. Ook als prof. Wagenaar op grond van zijn deskundigheid een bepaald feit juist acht kan de rechter dat toch moeten afkeuren.

Dit illustreert een belangrijk verschil tussen de wereld van de deskundige en die van de rechtszaal. De waarheid in de rechtszaal is een andere dan die van het laboratorium en het veldwerk van de deskundige. Natuurlijk behoort de rechter zich te voorzien van het beste wetenschappelijke advies. Maar een veroordeling vereist de overtuiging van de rechter – niet die van de deskundige. Pleidooien dat de rechters gedragswetenschappelijk moeten bijleren, hebben slechts een beperkte betekenis. De kern van de zaak is of de expert er in slaagt de rechtsgenoten te overtuigen. In veel landen is dat een jury van gewone burgers, in Nederland een professionele rechter. In beide gevallen moet het verhaal van de deskundige over komen bij leken.

In een juryproces is de noodzaak van ‘onmiddellijkheid’ groter dan in een berechting met professionele beoordelaars. Een belangrijk verschil is wél dat een jury geen motivering hoeft te geven voor zijn oordeel en een rechter wel. Op dit punt staat de Nederlandse rechtspraak open voor kritiek. De Grondwet zegt dat de vonnissen de gronden bevatten waarop zij berusten. Maar dit beginsel is „in de loop der tijd uit het zicht verdwenen”, zoals een Kamerlid tien jaar geleden al vaststelde. Mét de zegen van onze hoogste rechter, de Hoge Raad, die weinig eisen stelt aan vonnissen. Toch dient de motiveringsplicht niet alleen de duidelijkheid naar de verdachte en de buitenwereld, maar is hij ook van belang voor de kwaliteitscontrole in de rechtspraak.

In 2004 is in de wet bepaald dat de rechter ten minste moet uitleggen waarom hij uitdrukkelijk voorgelegde standpunten van het OM of de verdediging afwijst. Dat is een nuttige herinnering aan het algemeen belang van een behoorlijke motivering. De kernvraag is natuurlijk hoe de rechter daarmee omgaat. De voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, A. van Delden, wekte daarover in juni twijfel in zijn jaarrede als voorzitter van de Juristenvereniging. Hij wees er op dat er niet alleen een risico bestaat dat iemand ten onrechte wordt veroordeeld (een zogeheten vals-positieve uitspraak), maar ook dat iemand wordt vrijgesproken terwijl hij het wel heeft gedaan (vals-negatief). De publieke opwinding betreft vooral het eerste, maar vanuit de optiek van vertrouwen in en de kwaliteit van de rechtspraak is er volgens Van Delden „weinig reden veel onderscheid te maken”.

Gemakshalve gaat de vooraanstaande rechterlijke beleidsmaker voorbij aan de klassieke stelregel ‘liever tien schuldigen vrijuit dan één onschuldige achter de tralies’. Dat kan wrang zijn. Maar de mooiste motivering heeft weinig zin wanneer rechters niet door een zure appel durven te bijten.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl