Midden-Oosten – Europa’s gemiste kans

Helaas heeft het Midden-Oosten niet alleen zijn eigen tragische

lot moeten dragen, maar ook

nog de zwakte van het

verenigde Europa aan het licht gebracht, betoogt

Dominique Moisi.

Niets veroorzaakt in de transatlantische betrekkingen gemakkelijker verdeeldheid dan de veiligheid van Israël. Zo bezien – en ondanks een toenadering tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, die is uitgemond in een gezamenlijke VN-resolutie – maakt de jongste oorlog in het Midden-Oosten de gevoelsmatige kloof die sedert het begin van de oorlog in Irak bestaat tussen Europa en de VS, alleen maar wijder en dieper.

Wat zich thans voor onze ogen afspeelt kan worden beschouwd als een variant in de realiteit op Luigi Pirandello’s toneelstuk Così è (se vi pare) (Zo is het (als u dat denkt)). En het moet gezegd: beide partijen hebben een klein beetje gelijk.

Voor de meeste Amerikanen is Israël nu meer dan ooit de eerste verdedigingslinie van het Westen tegen de door Iran aangevoerde radicale islam, ook al zijn zij het niet eens met de tactische keuzes van Ehud Olmert en zijn regering. Anders dan de vorige oorlog in Libanon, in 1982, is dit in Amerikaanse ogen geen vrijwillige, maar een noodzakelijke oorlog.

De meeste Europeanen – ook al hebben zij volstrekt geen sympathie voor radicale moslims, of het nu shi’ieten zijn of sunnieten – zien Israëls offensief tegen Hezbollah en het resultaat ervan, de verwoesting van Libanon, als iets wat zich tegen Israël keert, iets wat een botsing der beschavingen tussen de islam en het Westen zou kunnen ontketenen. Want uiteindelijk kan het conflict tussen Israël en zijn buren alleen langs politieke weg worden opgelost.

Dat het is ‘uitgeraakt’ tussen Europa en Israël, zoals goed af te lezen valt aan de meeste Europese berichtgeving over de oorlog, is meer het gevolg van een proces dan van één enkele gebeurtenis. Tot aan de Zesdaagse Oorlog van 1967 profiteerde het imago van Israël van de nog levende herinneringen aan de shoah en de stille schuldgevoelens van een hele generatie Europeanen. De gedaanteverandering van het beeld van Israël in Europa sindsdien is bovenal het resultaat van tijd en afmetingen, nog versterkt door de macht van de beelden in ons mondiale tijdperk.

Terwijl de jaren verstreken en Israël van een kleine pionier veranderde in een regionale supermacht, is het Israëlische imago allengs vertroebeld en ongunstiger geworden, terwijl de sympathie voor de Palestijnse zaak groeide – ondanks het Palestijnse terrorisme. Het Israëlische nederzettingenbeleid, de oppositie tegen het steeds nauwere bondgenootschap tussen Israël en de Verenigde Staten, en het samenklonteren van alle punten van irritatie onder de groeiende islamitische bevolking hebben allemaal bijgedragen tot de Europese ontgoocheling over Israël.

Paradoxaal genoeg – gezien de uiteindelijk christelijke oorsprong van het antisemitisme in Europa – heeft het proces van ‘ontkerstening’ in dat werelddeel ongunstig uitgepakt voor Israël. In een tijdperk van verzoening tussen het christendom en het jodendom heeft een minder christelijk Europa zich minder genegen betoond om rekening te houden met de spirituele eigenheid van Israël.

Dit staat in volstrekte tegenstelling tot de toenemende kracht van de christelijke revival in Amerika, waar evangelisch rechts de steun voor het bijbelse Groot-Israël combineert met een tamelijk klassieke vorm van antisemitisme. De joden zijn immers gedoemd om voor het einde der tijden tot het christendom te worden bekeerd.

De Europeanen zijn, enige nuances daargelaten, nu gevoelsmatig verenigd in hun ‘koelheid’ jegens Israël. Wat de publieke opinie betreft is Duitsland geen uitzondering, en de Europese regeringen voelen er allemaal even weinig voor om troepen ter plaatse in te zetten om Israël en Hezbollah uit elkaar te houden.

Dat neemt niet weg dat de politieke verdeeldheid binnen Europa herinnert aan de situatie ten tijde van de oorlog in Irak. Natuurlijk is, als gevolg van de speciale relatie van de Duitse christendemocraten met Israël, de houding van Duitsland onder Angela Merkel een beetje veranderd.

Spanje en Italië zijn daarentegen kritischer geworden en opgeschoven in de richting van Frankrijk. In de context van de jongste oorlog in het Midden-Oosten valt er zelfs ‘meer’ Frankrijk en ‘minder’ Europa te bespeuren, althans op het waarneembare diplomatieke front.

Paradoxaal genoeg zou juist Frankrijk, dat door zijn daverend ‘nee’ tegen het grondwetsverdrag van de EU in 2005 de aanzet heeft gegeven tot de diepe identiteitscrisis van de Europese Unie – of deze althans heeft versterkt –, in het huidige moeras in het Midden-Oosten weleens aan invloed kunnen winnen.

Dat valt gemakkelijk te verklaren. Als voormalige mandaatmogendheid heeft Frankrijk altijd een nadrukkelijke belangstelling voor en aanwezigheid in Libanon gehad, en zijn invloed is nog versterkt door de nauwe persoonlijke band tussen president Jacques Chirac en de vroegere Libanese premier wijlen Rashid Hariri.

Maar zal Frankrijk uiteindelijk ook over de brug komen, dat wil zeggen: zal het een substantiële hoeveelheid troepen leveren voor de VN-macht die in het zuiden van Libanon de vrede moet gaan handhaven? Doet Frankrijk dat niet, dan zou het zijn geloofwaardigheid als ‘serieus land’ en zijn reputatie als buitenbeentje in Europa, als land dat niet te benauwd is om militair in te grijpen, schaden. Waar is het Frankrijk gebleven dat ooit als motto voerde ‘Ik grijp in dus ik besta’?

De andere interventionistische Europese mogendheid, Groot-Brittannië, heeft zijn handen meer dan vol aan Irak en Afghanistan. En Duitsland blijft in het algemeen, en speciaal in een conflict waarin Israël zo direct betrokken is, afkerig van ingrijpen, zodat alleen Frankrijk overblijft.

De les voor de Europese Unie is duidelijk: wil zij diplomatiek blijven meetellen, dan moet de Unie althans de indruk zien te wekken dat ze op militair gebied gewicht in de schaal legt.

Het huidige motto van de Europese Unie, ‘Gezamenlijk gaan wij ten onder, verdeeld houd ik me staande’, belooft weinig goeds voor de toekomst van het Europese buitenlandse en veiligheidsbeleid.

Het Midden-Oosten was voor Europa een voor de hand liggend terrein om zich opnieuw in de wereld te doen gelden. Aangezien de wezenlijkste problemen in het Midden-Oosten hun oorsprong vinden in het Europese antisemitisme en kolonialisme, had de EU althans een deel van de oplossing kunnen zijn. Helaas heeft het Midden-Oosten niet alleen zijn eigen tragische lot moeten dragen, maar ook nog de zwakte van Europa aan het licht gebracht.

Dominique Moisi, oprichter en adviseur van IFRI, het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen, is momenteel hoogleraar aan het Europa College in Natolin, Warschau.©Project Syndicate