Inning belasting door NV toelaatbaar

Hendrik Jan de Ru en Luurt Wildeboer

Mag de overheid de inning van belastingen uitbesteden? De gemeenten Haarlem en Haarlemmermeer willen deze taak overdragen aan een NV om kosten te besparen. Jit Peters, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam vindt deze privatisering onaanvaardbaar (NRC Handelsblad, 10 augustus).

Worden essentiële rechtsstatelijke waarborgen verkwanseld? Worden de burgers in deze gemeenten door de overheid overgeleverd aan tollenaars? Of moet goedkopere belastingheffing juist worden toegejuicht?

Peters verwijst naar de Gemeentewet. Op grond daarvan is belastingheffing voorbehouden aan de gemeente. Dat is op zichzelf juist en in lijn met de Grondwet en met de westerse constitutionele traditie.

Het Engelse parlement ontstond immers uit een conflict tussen de vorst en zijn burgers over belastingen. De burgers dwongen medebeslissingsrecht af over het onder dwang heffen van geld.

No taxation without representation lag ook ten grondslag aan de Amerikaanse vrijheidsstrijd. Onze Grondwet zegt dat belastingheffing „uit kracht van een wet” geschiedt.

Dat betekent dat de volksvertegenwoordiging meebeslist. Private heffing is tegen deze achtergrond in strijd met het beginsel van de democratische rechtsstaat en daarom uit den boze.

Hebben de beide Noord-Hollandse gemeenten deze fundamentele vereisten over het hoofd gezien? Wij menen van niet. Dat belastingheffing uit kracht van een wet geschiedt houdt in, dat de grondslag en het tarief van de belasting met instemming van de volksvertegenwoordiging totstandkomen.

Zo bepaalt de wet in formele zin, een besluit van regering en Staten-Generaal, in welke gevallen inkomstenbelasting wordt geheven en tegen welk tarief. Zo beslist de gemeenteraad of hondenbelasting, toeristenbelasting of onroerende zaakbelasting wordt geheven en tegen welk tarief.

Zonder een besluit van de gemeenteraad mag zo’n belasting niet worden geheven. De beide gemeenten tornen echter ook niet aan het vereiste dat gemeentelijke belastingheffing op grondslag van een gemeenteverordening geschiedt.

Wat zij wél willen, is uitbesteden van de inning van belastingen. Het innen van gelden is een veelvoorkomende activiteit. Bedrijven doen het op grote schaal.

Dergelijke activiteiten worden in Nederland maar ook wereldwijd met behulp van elektronisch berichtenverkeer op grote schaal uitbesteed aan hoogwaardige dienstverleners, soms in verre landen, tegen relatief lage prijzen en met snelle en effectieve dienstverlening.

Op weer andere plaatsen worden facturen geprint en vindt terpostbezorging tegen een laag tarief plaats.

Dit alles gebeurt bijvoorbeeld op grote schaal met bank- en creditcardafschriften en bij loon- en debiteurenadministraties. De klant heeft daar meestal geen weet van als hij het afschrift of de factuur in de brievenbus aantreft. In alle onderdelen van de keten van inning zijn op deze wijze hoge kostenbesparingen te behalen. Bij belastinginning kan dat ook.

Moet de overheid dergelijke kostenbesparingen doelbewust achterwege laten, zelfs als die voordelen geheel in Nederland kunnen worden gerealiseerd?

Dat zou strijdig zijn met het beginsel dat de overheid zo zuinig mogelijk met publieke middelen moet omgaan. Dit uitgangspunt is immers ook een constitutioneel beginsel.

Behalve uit het medebeslissingsrecht van de volksvertegenwoordiging over belastingen volgt dat uit het medebeslissingsrecht over de begroting, waarin is aangegeven tot welk bedrag publieke uitgaven ten hoogste mogen worden gedaan. Wie herinnert zich niet de ophef over excessieve uitgaven van het UWV voor zijn huisvesting?

Bij een verantwoorde aanwending van publieke middelen hoort dat de overheid de plicht heeft haar uitgaven zo laag mogelijk te houden. Als belastinginning door een NV aantoonbaar efficiënter en effectiever is, zou een gemeente het zelf niet duurder moeten willen doen.

Uitbesteding van de inning kan met ten minste dezelfde waarborgen worden omkleed als gemeentelijke inning. Niet omstreden is, dat de heffing voor de verantwoordelijkheid van de overheid kan blijven en dat bezwaar en beroep onverminderd mogelijk blijven.

Als aan die uitgangspunten geen afbreuk wordt gedaan, is er niets op tegen om de feitelijke inning uit te besteden. Sterker nog, daartoe zou de gemeente verplicht moeten zijn, als goed beheerder van de publieke middelen, wanneer dat goedkoper en effectiever kan.

Prof.mr. H.J. de Ru en mr. ing. L.J. Wildeboer zijn advocaten te Amsterdam.