Ik houd van u als een wild beest

Álvaro de Campos verlangt in zijn poëzie naar de meest wrede en woeste toestanden.

Vertaler August Willemsen heeft zijn werk uit de periode 1913-1922 bijeengebracht.

Het is wonderlijk om het werk van een dichter te lezen die niet bestaan heeft, maar wel geschreven. Álvaro de Campos is één van de heteroniemen, alter ego’s, van de dichter Fernando Pessoa en volgens vertaler August Willemsen de meest levende van alle dichters die Pessoa ontwierp. Campos’ gedichten uit de periode 1913-1922 zijn nu in één deel bijeengebracht (volgend jaar wordt een tweede deel verwacht). Dit eerste, dikke deel is in ieder geval al voldoende om een indruk te krijgen van deze dichter, die Pessoa zelf in een brief aan een vriend als de ‘dichter van de avond en de nacht’ omschreef, maar die veel méér is dan dat. Willemsen noemt Campos ‘de luidruchtigste’ en ‘de tegenstrijdigste’ en beide predikaten zijn zeker in hoge mate op dit werk van toepassing. Wat een dichter, wat een lawaaiige, opgewonden, hevig moderne persoonlijkheid – en tegelijkertijd: wat een melancholie, overgevoeligheid, verwarring.

Álvaro de Campos is ingenieur, zo wil het verhaal, en hij is een ‘sensationist’, hij hangt een literair/filosofische levenshouding aan die sterke indrukken wil ondergaan én oproepen. Pessoa laat dit personage flirten met het futurisme, ook al zo’n beweging die nu gedateerd en daardoor bijna lieftallig aandoet: die hevige verliefdheid op de moderne tijd aan het begin van de twintigste eeuw, met zijn machines, chroom, elektriciteit, zakelijkheid, al is Campos vooral ook een metafysische dichter. Hij verenigt achteloos God en de machine, zoals bijvoorbeeld in de slotregel van een brief die hij aan de hoofdredacteur van A Capital schreef (personages kunnen niet alleen dichten maar ook brieven schrijven), waarin hij beweert het futurisme niet te zijn toegedaan, maar het ook zeker niet te willen afwijzen „op een zo verrukkelijk dynamisch moment waarop de Goddelijke Voorzienigheid zelve zich bedient van electrische trams voor haar verheven lering.” Of dit werkelijk een of ander inzicht uitdrukt of alleen maar taalspel is, kan men zich afvragen, maar de zin is al even verrukkelijk als het dynamische moment, dus als hij nergens over gaat – tant pis.

Campos doet dat wel vaker, in een orgie van taal en woorden van alles oproepen, beweren, uitschreeuwen zelfs, zonder dat helemaal duidelijk is óf er echt iets beweerd wordt. Hoe harder hij schreeuwt, hoe minder hij overtuigd lijkt van zijn eigen gevoelens en bedoelingen. Maar tegelijkertijd is hij dan als dichter wél heel overtuigend, dat wil zeggen: als talent, als iemand die inderdaad een orgie van woorden en beelden kan oproepen die de lezer als in een draaikolk meesleuren. Hij belijdt in zijn grote gedichten een levenshonger, een verlangen naar de meest woeste, massale, wrede en schandalige toestanden, liefst allemaal tegelijk ondergaan, die merkwaardig afsteekt tegen het even zo vaak beleden onvermogen om zichzelf en zijn gevoelens te doorgronden. Waar hij zichzelf introduceert als een verwarde observator van zichzelf – „Ik zie mijzelf en ik begrijp mij niet” – probeert hij zich in zijn oden en manifesten uit die toestand los te schrijven en al schrijvende de draaikolk van de wereld te worden, voluit levend, niet langer observerend en overwegend. „O stoffen in de etalages! o etalagepoppen! o laatste modellen!/ O nutteloze artikelen die iedereen wil kopen! […] Hé, gewapend cement, cementbeton, nieuwe procédés! […] Ik houd van u allemaal, van alles, als een wild beest./ Ik houd van u op carnivore wijze” schrijft hij in zijn ‘Triomf-Ode’ die één grote lofzang is op de moderne tijd en tegelijkertijd een poging is zich die tijd volledig toe te eigenen, zozeer toe te eigenen dat het verschil tussen de dichter en de wereld opgeheven zal worden. Dat leidt tot het verlangen verscheurd en vermorzeld te worden door deze opwindende wereld: „Gooi mij in ovens!/ Leg mij onder treinen!” in een vermenging van ‘ik weet niet welk moderns en ikzelf en lawaai!’.

De vele uitroeptekens dragen niet weinig bij tot de extatische, soms eigenlijk regelrecht geëxalteerde stemming van de dichter die steeds meer opsomt, steeds luider blijk geeft van zijn razende verlangen dat als ‘een koorts en een bronst en een honger’ is om óveral in door te dringen. „O dat ik niet iedereen kan zijn en overal!”

Het is een bekend verlangen, veel dichters en schrijvers hebben er blijk van gegeven, maar meestal gaat het juist met melancholie gepaard, met spijt om de onophefbare gescheidenheid. Die melancholie kent Campos ook, maar hij wil zich daar uit dichten. Of dat lukt is de vraag. August Willemsen noemt deze opwinding doodleuk ‘een intellectueel kunstje’. En natuurlijk is het dat ook, noch Pessoa, noch zijn scheppingen zijn onbewust en razend levende mensen – misschien is geen enkele schrijver dat. Toch slaagt Campos er soms wel in om te overtuigen in zijn extase.

Zijn opwinding is soms kunstmatig, maar in zijn gedichten vind je ook een ongelooflijke evocatie van het razende verlangen om te ontsnappen aan het leven waarin alles beperkt en ingeperkt is en om één groot kolkend universum te worden.

De sensationist Campos lost iets op voor de symbolistische metafysicus Pessoa, die hij zelf ook is, zoals je maar al te vaak goed kan merken. Maar Campos heeft, doordat hij zo’n moderne ingenieur is en de versierselen van zijn tijd met ere draagt, weer heel andere uitdrukkingsmogelijkheden dan Pessoa zelf of één van de andere heteroniemen, zoals bijvoorbeeld de sterk anti-metafysische Alberto Caeiro. Toch vreemd om te bedenken dat ook die uit Pessoa voortkwam. Maar eigenlijk is dat van die heteroniemen ook eenvoudig, Pessoa maakt het zelf in een brief meer dan begrijpelijk: ‘Dit alles is gevoeld in de persoon van een ander; het is dramatisch geschreven,maar het is oprecht […], zoals oprecht is wat Koning Lear zegt, die niet Shakespeare is maar een schepping van hem.’ Zo is het. De schreeuwerige ‘gesticulatoire’ Campos, (een woord dat Willemsen in zijn nawoord verzint en dat zeer gelukkig gevonden is) is een oprechte schepping waar niets dan kunst uitkomt. Oprechte kunst.

Álvaro de Campos (Fernando Pessoa): Gedichten 1913-1922 Vertaald door August Willemsen. De Arbeiderspers, 445 blz. € 29,95