Giel

Het is voor de toerist altijd reuze vervelend om na terugkomst te horen te krijgen dat hij bepaalde bezienswaardigheden in het door hem bezochte gebied heeft gemist.

„Was jij in Pazolski? Geweldig hè, die watervallen van Göreznekov!”

„Hoe?”

„En toen zijn jullie natuurlijk meteen doorgereden naar dat prachtige stadje daar in de buurt, Karlina? De Middeleeuwen nog!”

„Eh…wij zijn niet verder gekomen dan Kralka.”

„Oók aardig, maar zo toeristisch.”

Mij overkwam een variant op deze ervaring na een bezoek aan het kerkhof van Blauwhuis in het zuidwesten van Friesland, waarover ik gisteren al even schreef. Pas op de terugweg las ik de brochure van de St. Vitusparochie Blauwhuis, die ik in de kerk gekocht had. Hij bleek een uitgebreide beschrijving te bevatten van het kerkhof. Ik had er nogal slordig rondgekeken en daardoor het grafje van oorlogsevacué Gilles Emmanuel Michels (16 maart 1944 - 12 januari 1945) gemist. Hij ligt er begraven onder een gietijzeren kruis. De geschiedenis van Gilles (‘Giel’) verdient verdere verspreiding dan het parochieblad van Blauwhuis. Vandaar mijn samenvatting.

In de hongerwinter van 1944 nodigde Celestina, een kloosterzuster in Blauwhuis, haar Amsterdamse familie uit om in Friesland aan te sterken. Op 12 januari stapte het echtpaar Michels met drie ondervoede kinderen in een vrachtauto naar Friesland. Om het warmte te geven, werd het jongste kind, de tien maanden oude Giel, in de wasmand gelegd. De mand werd bij de stookpot van de vrachtwagen gezet.

Volgens de overlevering zou er van Purmerend tot Den Oever ook een Duitse soldaat zijn meegereisd. Om het zelf wat warmer te krijgen, zou hij de wasmand hebben weggeduwd. ‘De overlevering’ vermeldt niet of de soldaat wist dat er een kind in lag. Over de aanwezigheid van een Duitse soldaat in de vrachtauto bestaat überhaupt geen zekerheid, begrijp ik, dus mogelijk heeft de tijd hier zijn mythische invloed gehad.

Hoe het ook zij, ter hoogte van Den Oever, na een rit van twee uur, haalde de moeder het kind uit de mand. Het bleek doodgevroren. Er ontstond grote consternatie, de moeder liet het kind in haar ontsteltenis van de wagen vallen. Wat er daarna precies gebeurde, is onduidelijk, maar het staat vast dat de vrachtauto uiteindelijk mét de dode baby Blauwhuis bereikte. In het St. Theresiahuis werd Giel afgelegd en opgebaard. Daarna volgde vanuit de huiskapel de uitvaart en de begrafenis op het parochiekerkhof. Op het bidprentje schreef tante-zuster Celestina: „Het is net als met Maria en Jozef die met hun kindje zijn gevlucht om het te redden.”

Toen ik dit verhaal had gelezen, moest ik denken aan een tekst die ik een dag eerder in het museum van Jopie Huisman in Workum had gezien. Huisman, als kunstschilder een autodidact, kon niet alleen indringend, realistisch schilderen, maar hij had ook gevoel voor taal, zoals enkele teksten in het museum bewijzen. Zo schreef hij: „Ik heb geen stem gehad in mijn geboorte en ik kan niet verhinderen dat ik straks ogenschijnlijk in het niets verdwijn. Daar tussenin gebeurt het. Dat brengt me in verwarring, daar ben ik door ontroerd.”

Daar tussenin gebeurt het.

Bijvoorbeeld tussen Amsterdam en Blauwhuis.