Feestje? Eerst een aanvraag indienen

In Enschede wonen studenten op de campus van de universiteit zelf.

Maar de meeste studenten verhuizen na een paar jaar naar de stad.

„De campus in Enschede lijkt op Center Parcs. Zeker in de zomer als iedereen aan het barbecuen is,” vindt Jasper Rabou, laatstejaarsstudent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente.

De universiteit ligt precies tussen de twee steden Enschede en Hengelo in. De universiteitsgebouwen liggen verspreid in een groen domein met tennisvelden, een hockeyterrein en twee zwembaden. Centraal aan de Campuslaan ligt de Mensa en het cultureel centrum Vrijhof. Eromheen staan netjes gegroepeerd, bakstenen vierkanten blokhuisjes. Dat zijn de studentenwoningen waar in totaal 2.138 studenten wonen. Aangelegde perkjes en pas gemaaid gras geven het geheel een verzorgde indruk.

Student Jasper Rabou heeft hier anderhalf jaar gewoond. Daarna verhuisde hij naar Enschede. „Je kan hier in principe je hele studententijd een beschermd leventje leiden zonder van de campus af te komen. Maar na anderhalf jaar was ik daar toch klaar mee.” Op de campus vind je alles wat je nodig hebt: een kapper, een kleine supermarkt en allerlei sportfaciliteiten. „Voor eerstejaars en voor buitenlandse studenten is het natuurlijk gemakkelijk om mensen te leren kennen. Maar het merendeel gaat na een of twee jaar toch naar de stad.”

Marcel Kuipers, de bedrijfsleider van het studentenhuisvestingsbureau Acasa bevestigt dat veel studenten wegtrekken naar de stad. Daar ziet Kuipers verschillende redenen voor. Ten eerste biedt de campus heel weinig mogelijkheden tot zelfstandig wonen en willen studenten, zeker na een paar jaar, toch meer zelfstandigheid. En veel jongeren vinden de campus te beschermd. De trek naar de stad wordt ook bepaald door de prijs: een flat delen met vier of vijf mensen is goedkoper dan een kamer op de campus. Bovendien hanteren woningcorporaties in het centrum van Enschede tegenwoordig een lotingsysteem en bestaat er geen systeem van wachtlijsten meer.

Dick Meuleman (tweedejaars informatica), Mathijs Omen (eerstejaars advanced technology) en Henry Been (derdejaars informatica) delen samen met acht andere jongens en een Duits meisje een studentenwoning op de campus. Ze piekeren er niet over om naar de stad te gaan: „We zijn met zijn twaalven en bier kost hier geen flikker, wat zouden we dan naar de stad gaan?” Iedereen heeft zijn eigen kamertje dat uitkomt op de gang. Ze delen een badkamer en er is een grote gemeenschappelijke keuken met een balkon. Verspreid over de woonruimte liggen lege pizzadozen, zo’n dertig kapotte computers en er hangen gekleurde paraplu’s aan het plafond. Het is er vuil, maar dat komt door de spaghettitest: „Als het gaar is, blijft het overal plakken”, zegt Dick verontschuldigend.

Voor een kamer betalen ze ongeveer 250 euro, afhankelijk van de grootte. Daarbij zitten ook de servicekosten inbegrepen: de ramen worden gelapt, het gras wordt gemaaid en het vuil wordt opgehaald. De jongens gaan minstens twee avonden in de week sporten. „Dat kost minder dan 100 euro per jaar, daarmee kom je in de stad niet bij een club.” Tijdens het studiejaar koken ze samen en zitten ze daarna ’s avonds in de keuken. „Want wie alleen op zijn kamer zit, is een rukker.”

Mark Ankone (41) is medewerker bij de vakgroep Biomateriaal. Als student heeft hij altijd op de campus gewoond, maar nu heeft hij een flatje in de stad gehuurd. Een medewerkerswoning wilde hij niet omdat hij op zijn privacy gesteld is. Ankone houdt desondanks wel van de „overkoepelende sfeer van de campus. Alleen zou de universiteit de boel iets minder strak in de hand moeten houden.” Zo moeten de studenten bijvoorbeeld een aanvraag indienen om een feest te mogen geven. „Ach, de een vindt dat een probleem, de ander niet. En dit deel van Nederland is nu eenmaal niet zo bruisend als pakweg Amsterdam.”