Asielzoekers weg, vluchtelingen erin

Nu er minder asielzoekers naar Nederland komen, moet de opvangorganisatie COA andere bestemmingen vinden voor de centra. Libanese repatrianten vinden onderdak in Almere.

Eigenlijk had Violette Matar (37) al lang afscheid genomen van Nederland. Vijf jaar woonde ze in Zutphen, nadat ze uit Libanon hiernaartoe was gevlucht. In 1997 ging ze terug naar haar geboorteland. Maar nu is Matar weer hier. Met haar vijf jonge kinderen woont ze in het asielzoekerscentrum in Almere. „Het is in Libanon te gevaarlijk”, vertelt ze.

In tegenstelling tot haar eerste vlucht naar Nederland heeft ze nu niet te maken met de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Matar en haar man, die nog in Libanon is, beschikken over een Nederlands paspoort, verkregen tijdens die eerste verblijfperiode. Matar maakt deel uit van een groep van ongeveer honderd repatrianten, vluchtelingen uit Libanon met een Nederlands paspoort. Ze worden voor maximaal twee maanden opgevangen in een voormalig asielzoekerscentrum in Almere.

Dit centrum werd enkele jaren geleden nog bevolkt door ruim 600 asielzoekers. Daarna heeft het een aantal maanden leeg gestaan. Door de strengere asielwetgeving daalde het aantal asielzoekers in Nederland. (zie grafiek). Hierdoor moesten circa 250 centra de laatste jaren worden gesloten, zo ook het centrum in Almere.

Het beheer van de Nederlandse asielzoekerscentra is in handen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Dit orgaan kampt met twee problemen. Wat te doen met al die massale, snel uit de grond gestampte opvanghuizen nu er steeds minder asielzoekers Nederland binnenstromen? En wat moet er gebeuren met de werknemers in die centra die overbodig zijn geworden? Afgelopen drie jaar moesten al 3.000 werknemers weg. In de ‘hoogtijdagen’ tot 2001 bood de opvangorganisatie onderdak aan meer dan 80.000 asielzoekers. Daar waren rond die tijd 5.000 werknemers voor nodig. Nu telt het COA iets minder dan 2.000 werknemers.

Complexen die eigendom zijn van het COA worden na sluiting veelal verkocht aan gemeenten. Het COA heeft met Justitie afgesproken dat een centrum moet sluiten als de bezettingsgraad onder de 95 procent zakt. Gevolg is dat asielzoekers moeten worden overgeplaatst naar centra elders in het land, en weer als hun nieuwe opvangplek voor minder dan 95 procent is gevuld. Hulpverleners hebben eerder hun kritiek geuit op deze aanpak. Het zou niet goed zijn om asielzoekers steeds maar weer te laten verhuizen, zeker niet als het om gezinnen gaat met kinderen die dan hun school en vriendjes kwijtraken.

Een woordvoerder van het COA noemt dit soms onvermijdelijk. „Omdat we zo gekrompen zijn, is onze organisatie minder flexibel. Daardoor gebeurt het vaker dat asielzoekers moeten verhuizen. Maar dit doen wij alleen tijdens schoolvakanties”, benadrukt de zegsman.

Zal het COA door de krimp niet tot een overbodige overheidsinstantie worden? Nee, zegt algemeen directeur van het COA Nurten Albayrak. „Dit jaar vangt de organisatie nog altijd circa 20.000 asielzoekers op”, aldus Albayrak. Als de dalende lijn zich voortzet, moet de organisatie wellicht nog meer krimpen en zullen nog meer centra worden opgedoekt, maar het COA zal een belangrijke rol in de maatschappij te vervullen blijven hebben, aldus Albayrak.

Het COA kan ook anderen die opgevangen moeten worden helpen, zoals nu de Libanezen, zegt Albayrak. „Er zijn lange wachtlijsten in de jeugdzorg. Wij zouden best kunnen helpen die wachtlijsten weg te werken”, noemt Albayrak als voorbeeld. En een andere mogelijkheid: de huisvesting van studenten of seizoensarbeiders.

Albayrak: „De opvang van repatrianten is het schoolvoorbeeld van hoe het verder moet. We hebben twaalf jaar ervaring met de opvang. Het zou zonde zijn om dat zomaar weg te gooien.” Behalve in Almere heeft het COA tot op heden echter geen concrete verzoeken gehad. Wel zijn er gesprekken met bijvoorbeeld de reclassering, zo bevestigt een woordvoerder.

De nieuwe ambities van het COA worden gesteund door het ministerie van Justitie. Maar over verdere toekomstplannen van het COA kan het ministerie nog niets zeggen.

Libanezen met een Nederlands paspoort kregen enkele weken geleden een brief in de bus van de ambassade. Daarin werd de mogelijkheid geboden naar Nederland terug te keren. Vervolgens klopte het ministerie van Buitenlandse Zaken aan bij Binnenlandse Zaken. Wat te doen met deze mensen, was de vraag. Het COA (dat wordt gefinancierd door Justitie) heeft een overschot aan ruimte, was het antwoord.

Binnen één dag was de opvang geregeld, zegt een woordvoerder van Binnenlandse Zaken. Het asielzoekerscentrum was weer back in business.

Maar de mensen die nu in het centrum zitten, vragen geen asiel. Dat hebben ze jaren geleden al met succes gedaan. „Het voelt raar”, zegt Ali (35), zittend op een bankje op het terrein. „Ik voel me een asielzoeker, terwijl ik al Nederlander ben.”

Hier en daar groeit gras tussen de stoeptegels. Het terrein, dat midden in de Flevolandse polder ligt, oogt desolaat. Hele vleugels van het complex staan leeg. De keuken is er uitgesloopt. Alleen het zeil ligt er nog. „Het is hier doodsaai”, zegt Ali, die niet met achternaam in de krant wil. „Ik heb soms het gevoel in een gevangenis te zitten.” Toch zegt hij „ongelooflijk dankbaar” te zijn voor de opvang. Zijn 22-jarige vrouw staat op het punt te bevallen. „Ik voel me een ergens wel een lafaard om uit Libanon te vertrekken”, vertelt hij. „Maar mijn kind kan daar nooit veilig geboren worden.”

Ali pakt zijn mobiele telefoon. Op het kleurenscherm toont hij een filmpje van een propvol schoollokaal. Dagenlang zegt hij daar te hebben geschuild voor de bombardementen. Over twee maanden sluit het centrum en moet iedereen weg. Violette Matar gaat deze week al weg. De Nederlandse overheid heeft voor haar een huis gevonden in Enschede. Matar: „Mijn kinderen zien het als vakantie. Zelf begin ik er bijna aan te wennen om elke tien jaar te verhuizen van Libanon naar Nederland.”