Waarom ik straks de Kamer verlaat

Hieronder de belangrijkste delen uit de brief waarin Jozias van Aartsen vanmorgen aankondigde dat hij geen kandidaat is bij de komende verkiezingen.

[...] Het is de taak van politici om vooruit te zien. [...] Hoe bieden wij onze burgers de mogelijkheid het op te nemen tegen de concurrentie van buiten? Hoe gaan we om met externe bedreigingen die niet meer komen van andere naties, maar van individuen of groeperingen? Hoe moet de relatie zijn tussen de staat en de zeer geëmancipeerde burger? [...] En vooral: hoe inspireren wij de Nederlanders tot verantwoord burgerschap?

Geen thema’s die je in pakkende oneliners vangt en op je affiches zet. Misschien niet eens interessant in een campagne. Maar wel onderwerpen waarover een nieuw kabinet met bezielde ideeën zal moeten komen. [...] Durf en verantwoordelijkheidsgevoel zijn daarbij belangrijker dan het effect in de polls.

Zo’n kabinet hoort naar mijn overtuiging een zelfbewust parlement tegenover zich te vinden. Zelfbewust tegenover het kabinet, zelfbewust tegenover de samenleving die het vertegenwoordigt. Wijzigingen in ons grondwettelijk bestel zijn daarvoor nodig. Maar voorop blijft staan dat de Staten-Generaal het hoogste gezag in onze democratie zijn. Niet een vergaarbak van ambities waaruit gekozenen wegvluchten wanneer het gedroomde plekje in een kabinet niet voor hen blijkt te zijn weggelegd. Mede door die houding heeft de Tweede Kamer in de afgelopen decennia aan statuur ingeboet. Ikzelf heb hieruit de consequentie getrokken en heb mij in 2002 – na 8 jaar ministerschap – opnieuw voor de Kamer gekandideerd en mijn plaats in de blauwe stoelen ingenomen.

Een parlement zoals door mij geschetst, stelt zich onafhankelijk op tegenover het kabinet. En een kabinet zoals door mij geschetst accepteert die onafhankelijke opstelling.

Voor mij is en blijft het liberalisme de inspiratiebron bij uitstek voor dat zelfbewustzijn, die toekomstgerichtheid, die durf en dat verantwoordelijkheidsgevoel. Vanaf haar oprichting woedt binnen de VVD, dan weer onderhuids, dan weer aan de oppervlakte, de richtingenstrijd tussen een naar populisme neigende stroming (no-nonsense, belastingverlaging, orde) en een vrijzinnige stroming (vrijheid, rechtsstaat, internationale gerichtheid, onderwijs). Alle aanvoerders, van Stikker en Oud tot mijzelf, hebben ernaar gestreefd die stromingen te verbinden. Hoe meer dat lukte – veelal afhankelijk van de steun daarvoor binnen de partij – des te beter het resultaat voor de VVD. Zie het succes van Hans Wiegel, zie het uiteindelijke succes van Frits Bolkestein. De vraag is of dat in de politieke realiteit van nu nog mogelijk is. Het beeld dat in de lijsttrekkerscampagne is ontstaan, heeft die verbindende rol moeilijker gemaakt. De nieuwe fractie krijgt daarmee te maken. [...]

Om aan te geven dat mijn betrokkenheid bij de publieke zaak onverminderd was, wilde ik na mijn aftreden als fractievoorzitter doorgaan als gewoon Kamerlid.

Dat vereiste een heel andere instelling dan die waarmee ik de drie voorgaande jaren had gefunctioneerd. Ik hield mij dus op de achtergrond. Met verbijstering moest ik vervolgens toekijken bij de gebeurtenissen in mei en juni die leidden tot een kabinetscrisis. Een crisis die zich naar mijn vaste overtuiging niet had hoeven, niet had mogen voordoen. Toen merkte ik dat ik het moeilijk vond mij bij die terughoudende rol neer te leggen. Ik ben daar kennelijk niet aan toe. [...] Die constatering stellend tegenover de hierboven geschetste vereisten van het moment [...] zal (ik) mij niet opnieuw beschikbaar stellen voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer.

De volledige tekst van de brief is na te lezen op www.nrc.nl/binnenland