Stilte

Greonterp lag er aangrijpend mooi bij op een van de heetste dagen van deze zomer. We waren er in de vroege morgen vanaf Sneek heengefietst, over stille binnenwegen. De zon scheen scherp op de weilanden, de hitte hing al als een vermoeden in de lucht.

Eerst kwamen we door Blauwhuis, een dorpje van enkele straten, een katholieke kerk en een café. Het kerkhof naast de St. Vituskerk is bekender dan de kerk zelf, want Gerard Reve liet zich voor zijn gedicht Graf te Blauwhuis inspireren door het graf van Gerrit Rypma, een jongen die in 1945 door de Duitsers werd doodgeschoten.

Rypma ligt niet meer in Blauwhuis, zijn stoffelijke resten werden overgebracht naar het ereveld in Loenen (vak E grafnummer 1318). Ik las het in het parochieblaadje. In het voorportaal van de St. Vituskerk hing een ander gedicht van Reve, Reisgebed, met de inmiddels wel zeer toepasselijke beginregels:

O God.

Ik sta op het punt, op reis te gaan.

Ik weet niet, of het misschien mijn

laatste reis is.

In Blauwhuis herinnerde verder alleen café De Freonskip (De Vriendschap) nog aan Reve. Niet omdat zijn naam op de oude gevel prijkte, maar omdat de Reve-lezer wéét dat hij hier met de cafébaas menig verloren uur doorbracht.

Tijd voor Greonterp, een kilometer verderop. Waarom Greonterp? Ik was er ruim vijfentwintig jaar eerder geweest, maar kon me er niets meer van herinneren, behalve dat het er koud en troosteloos was. Hoe had Reve het daar kunnen uithouden? Ik begreep het destijds niet.

Maar op deze laaiende zomerdag was alles anders. Eerst verraste de nietigheid van het dorp me. Het bleek niet meer dan een bocht in de weg met een handvol huizen. Een vlekje tussen de weilanden. Geen winkel, geen school. We moesten omkeren, want we waren er al doorheen voor we het beseften.

In een zijstraatje vonden we Huize Het Gras. Vroeger bewoonde Reve het hele huis, nu is het gesplitst. We liepen naar het voormalige kerkhofje dat bijna aan de voorzijde van het huis grenst. Hierover schreef Reve zijn gedicht Eind goed, al goed, met de slotregels:

Als er wel wolken, maar geen wind

is wordt de hemel

Een sluier van stilte,

En daalt iets neer dat veel lijkt op

geluk.

We keken om ons heen. Er lag nog maar één graf en er stond een oude klokketoren. Maar het ging vooral om het bedwelmende uitzicht dat je vanaf dit punt had. Tot aan de horizon groene velden met schapen onder een blauwe stolp van tijdloosheid. Dit was die sluier van stilte. Hier had Reve het voor gedaan. Toen hij dit had gezien, schreef hij aan Josine Meijer dat hij hier zo graag alleen was. „Het wordt dan zo stil, dat het mogelijk wordt de verre, als van een zolder of uit een kast fluisterende stem van de waarheid te horen, maar je moet inderdaad je adem inhouden. Er wordt me dan zo veel duidelijk.”

Zeven jaar – van 1964 tot 1971 – woonde hij op deze plek. Dat was voor zijn doen lang, bijna een eeuwigheid in de eeuwigheid.