Israël moet af van zwart-wit denken

Bij elke crisis in het Midden-Oosten blijft het verder weg liggende verleden vaak buiten beschouwing. Bijvoorbeeld de wortels van het Israëlisch-Palestijnse conflict, meent

Erik Mispelblom Beyer.

Steeds wanneer een oplossing moet worden gezocht voor weer een crisis in het Midden-Oosten valt op dat daarbij alle aandacht uitgaat naar de directe aanleiding, terwijl achtergronden uit het verder weg liggende verleden buiten beschouwing blijven. In de huidige crisis wordt wel gesproken over de acties van Hezbollah (opgericht in 1982) en het niet uitvoeren van resolutie 1559 (ontwapening van Hebollah), maar niet over de bezetting van de Palestijnse gebieden en het niet uitvoeren door Israël van de cruciale resolutie 242 (van 1969 – terugtrekking van Israël tot op de grenzen van 1967) en nog tientallen latere resoluties.

Bij de stichting van Israël werden de Palestijnen, die in vrede met de joden in het land leefden, daaruit met geweld en verlies van alles wat zij bezaten verdreven. Vervolgens worden zij al decennia lang bezet onder voortdurende schending van internationale rechtsregels en mensenrechten. Duizenden doden, postuum als ‘terroristen’ vogelvrij verklaard, 10.000 gevangenen, een deels geannexeerd, deels verknipt en geruïneerd land en algehele verpaupering zijn het resultaat. Het Palestijns gezag, (corrupt, maar wél bereid Israël te erkennen) werd door de bezetter stelselmatig ondermijnd.

Nadat het volgens alle waarnemers voorbeeldig op democratische wijze door een nieuw bewind werd vervangen, werd dit als zijnde vijandig in de ban gedaan. Ministers en parlementsleden werden op de dodenlijst geplaatst dan wel gevangen gezet, regeringsgebouwen opgeblazen.

Bewoners van bezette gebieden hebben volgens Geneefse conventies het recht zich tegen deze bezetting te verzetten. Dat verzet, alles en iedereen over één kam scherend, af te doen als voortkomend uit ingeworteld antisemitisme respectievelijk ‘wereldterrorisme’ is onterecht en kortzichtig. Onterecht omdat het blind maakt voor de voor iedere beschouwer overduidelijke en zeer concrete, zeer actuele en voor de verschillende omstandigheden specifieke gronden voor frustratie en woede. Ook belangrijke Israëlische premiers begonnen hun politieke loopbaan als terrorist. Kortzichtig omdat daarmee ieder eigen aandeel aan het conflict wordt ontkend, onderhandelingen bij voorbaat worden uitgesloten en onderling verdeelde tegenstanders zich verenigen.

Dan rest slechts de weg van steeds meer bommen en granaten, zoals Martin van van Creveld adviseert (Opiniepagina, 5 augustus). Waar dat toe leidt zien we dagelijks. Iedereen voelt zich door iedereen bedreigd, het geweld escaleert in hoog tempo en een weg terug wordt welhaast onmogelijk. De vooruitzichten worden daarbij steeds somberder. Zie de VS die zich destijds onoverwinnelijk achtten in Vietnam, en nu in Afghanistan en Irak, zie Rusland in Afghanistan en Tsjetsjenië. En omgekeerd: hoe zouden de verhoudingen er hebben uitgezien als al die talloze miljarden niet aan dood en vernietiging maar aan opbouw en ontwikkeling zouden zijn besteed?

Een van de ‘vergeten’ achtergrondgegevens is dat de Palestijnen in Oslo hebben ingestemd met de grenzen zoals die door de VN zijn vastgesteld en het bestaan van Israël hebben erkend. Dat dit niet met alle mogelijke middelen is vastgehouden en verder uitgewerkt, is opmerkelijk omdat daarmee een door alle partijen als cruciaal beschouwde voorwaarde voor vrede was vervuld.

Zo mogelijk nog omineuzer is de gemiste, of niet gewilde, kans van het aanbod van de Arabische Liga van 2002: erkenning, vrede en volwaardige betrekkingen in ruil voor de grenzen van 1967. Daar is nooit op ingegaan.

Dat een ander beleid onmogelijk zou zijn geweest is dus in ieder geval niet juist. Evenmin is juist het te doen voorkomen alsof Israël steeds goed heeft gehandeld en dat alleen de andere betrokken partijen schuldig zouden zijn aan de nog steeds slechter wordende situatie.

In dit verband moet nog worden genoemd het tot op de huidige dag als ‘genereus’ voorgestelde aanbod van de Israëlische premier Barak in 2000. Van Israëlische en Amerikaanse zijde wordt het onbegrijpelijk genoemd en een bewijs van ultieme onwil dat Arafat dat heeft afgewezen. Niet vermeld wordt dat volgens dit ‘aanbod’ de grote nederzettingen en nog enkele andere (Hebron) door Israël zouden worden behouden (in strijd met resolutie 242) en Israël ‘voorlopig’ de strook land langs de Westelijke Jordaanoever zou ‘pachten’. Het aldus overblijvende, verbrokkelde gebied zou doorsneden (of omsingeld) blijven door Israëlische wegen en nederzettingen en daardoor ook economisch niet of nauwelijks levensvatbaar zijn. Ook niet vermeld wordt dat over de gevoelige kwestie van de vluchtelingen nauwelijks viel te praten en de al even gevoelige positie van Jeruzalem op zeer eenzijdige wijze was ‘geregeld’.

Alles overziende rijst de vraag of Israël werkelijk vrede wil met dien verstande dat het ook bereid is daaraan pijnlijke consequenties te verbinden (nederzettingen) of dat het, door het scheppen van steeds meer voldongen feiten, vóór alles de gedachte van Groot Israël tracht te verwezenlijken. Als het eerste het geval is dan is praten en het doen van concessies de enig begaanbare weg. Proberen bruggen te bouwen in plaats van muren. Niet onder de supervisie van de VS (volstrekt ongeloofwaardig), noch onderling (extreem ongelijke krachtsverhoudingen) maar met hulp van een werkelijk onpartijdige instantie. Maar zonder een staatsman à la De Gaulle zal een dergelijke omwenteling niet mogelijk zijn.

Erik Mispelblom Beyer is psycholoog/psychotherapeut. Hij werkt nu bij een organisatie die zich bezighoudt met advies, training en ondersteuning van medewerkers van humanitaire organisaties.

Het stuk van Van Creveld is te lezen op www.nrc.nl/opinie