Inzoomen op het slachtoffer

Het menselijk voorstellingsvermogen is zowel verbluffend als gebrekkig. Men staat soms versteld van zichzelf bij het lezen van een boek – hoe ben je betrokken bij die personages, hoe denk je aan ze, hoe bonst je hart om ze. Merkwaardig genoeg zonder dat je je ooit een precieze voorstelling van ze maakt, een paar details zijn genoeg. Tegelijkertijd kun je vreemd onverschillig zijn als het om echte levende mensen gaat. Tenminste, als je die laatsten niet kent.

Verzonnen personages ken je wel, intiemer vaak zelfs dan je beste vrienden. Maar ‘de inwoners van Beirut’, ‘Israëlische soldaten’, ‘duizenden mensen uit de omgeving van Sidon’ – nee. Hoeveelheid maakt extra anoniem, terwijl het drama er door vergroot wordt. Dat honderd mensen omkwamen bij een bombardement is erger dan één, maar van die ene zou je nog alles te weten kunnen komen, van die honderd niet. En dus zoomen we in op enkelingen. Journalisten verstrekken details, over een stad voor en na de aanval, over het leven van een familie voor de oorlog begon en nu, we zien die ene vader met zijn ene dode kind (en het maakt eigenlijk helemaal niet zoveel uit of die man een soort acteur was die voor allerlei foto’s heeft geposeerd) en zo komen we niet alleen te wéten dat het verschrikkelijk is wat er gebeurt, maar we gaan het ook voelen. En dan wordt onze mening anders, want het is iets anders om te zeggen: „Israël voert een gerechtvaardigde verdedigingsoorlog” dan om naar een dood kind te kijken en te zeggen „tant pis, zonder slachtoffers gaat het niet.” Dat is ineens onmenselijk, zo mogen wij niet zijn. En dus voel je soms ook wel een schuldige opluchting als er dingen zijn gebeurd waar je tegen was, moreel, maar die tóch veroorzaakt hebben wat je wel wilde: vrede, rust. Al is dat bij deze oorlog maar de vraag.

J.L. Heldring schreef onlangs dat niet alleen burgers, maar ook militairen niet meer in staat zijn om werkelijk hard te zijn. Hij zei niet dat het verkeerd was, hij constateerde het. En ook dat de geallieerde bommenvluchten boven Duitsland vermoedelijk niet doorgezet waren als men toen had kunnen zien wat wij nu te zien krijgen van een oorlog – die duizenden slachtoffers, de zeeën van vuur, het gegil. Je wilt er niet eens aan denken, en toch is het allemaal gebeurd en het is niet onmogelijk dat ook dat heeft bijgedragen aan onze vrede.

Het is niet makkelijk om de begaanheid met de enkeling te verenigen met een blik op het geheel. Naar aanleiding van het magistrale boek van Jacq Vogelaar Over kampliteratuur, dat geregeld terugkomt op het probleem van de waarneming, het probleem van het overzicht, het verschil tussen individu en massa als het gaat om een met velen gedeeld lot, las ik nog eens een interview over dat de Joegoslavische schrijver (dat was hij altijd, nu zou hij een Servische schrijver zijn) Danilo Kiš ooit met zichzelf hield en dat afgedrukt werd in het literaire tijdschrift Raster. Kiš spreekt daarin met zichzelf over de afstand die hij in acht neemt bij het schrijven over zijn jeugd en meer in het bijzonder over de januaridag in 1942 waarop zijn joodse vader gearresteerd werd. Hij beschrijft de gebeurtenissen alsof een filmcamera ze opneemt. Ook wat er gebeurde toen zijn vader het huis uit was gevoerd en waarvan hij op grond van documenten en een enkele getuigenis, weet heeft. Zijn reconstructie begint met de zinsnede: ‘Uitzicht op de bevroren Donau’ en laat de mensen zien die daar bij de badhokjes staan en het ijs van de rivier waar een groot gat in is gehakt, soldaten eromheen, en hoe uit de badhokjes ineens een naakte jonge vrouw komt, met een kind aan de hand. Ze worden beiden op een plank over het wak doodgeschoten en daarna onder het ijs geduwd. We zien de rijen wachtende mensen. „Vanaf deze hoogte, waar een camera staat die niet trilt, onderscheiden we geen gezichten.” Toch zien we achterin de rij „een man met een hoed en een bril, in een grijze overjas, omdat degene die de camera op deze hoogte heeft geposteerd (om zo de verleiding van de details te kunnen weerstaan, van het beschrijven van naakte lichamen en scènes vol vernederingen (…) en om aan het geluid te ontkomen van stemmen, gekrijs, geweeklaag (…), om dus de goddelijke objectiviteit te bereiken in die wereld zonder God) omdat die persoon, vooringenomen als hij is, het niet kan helpen dat hij in de menigte diegene onderscheidt die zijn vader is.”

Ik vind dit een van de meest aangrijpende beschrijvingen die ik ooit las. De omweg van de camera laat precies zien hoe het gaat: goddelijke objectiviteit is niet langer vol te houden als het om iemand gaat van wie je houdt. Of van wie je weet dat een ander houdt – neem de zoon van David Grossman. Al die Israëlische militairen die eerder gesneuveld zijn, voor kennisgeving aangenomen, en nu die ene, Uri Grossman, de jongen voor wie zijn vader het vrolijke en slimme boek Het zigzagkind schreef, zoon van een vader die met eindeloze aandacht en precisie zijn boeken schreef waarin op elk personage de druk rust een jood te zijn, ook als dat ongenoemd blijft, maar die ook op reportage ging naar de bezette gebieden om daar met Palestijnen te praten. Een vader met een verbluffend inlevingsvermogen. Die zich vast al vaak ingeleefd had in wat het betekent, een kind verliezen.

We kunnen nog wel zeggen: dat zijn offers die gebracht moeten worden. Dat zijn slachtoffers die nu eenmaal vallen, pech, het doel is iets groters. Maar niet meer als we weten wie die slachtoffers dan zijn. Het is gevaarlijk om niet meer zo te kunnen denken. En het is schokkend om het wel te doen.