In Delft zijn de studentes net meisjes

Delft staat bekend als een jongensstad.

Dat maakt ook de meisjes daar stoerder. „Als ik in Leiden had gestudeerd kon ik nu geen kast in elkaar zetten.”

De grote sporttas glijdt van de bagagedrager. Een lange, dunne jongen pakt de tas op en duwt hem weer onder de snelbinder. Een medereiziger zucht. Nog vier jongens staan op het balkon van de trein. Alle vijf hebben ze een fiets bij zich, met bepakking. De trein stopt. De fietsen, tassen en jongens vallen het perron op.

Voor station Delft staan nóg tientallen jongens en net zoveel fietsen en sporttassen. De fietsen worden in een kleine vrachtwagen geladen, om naar Camping Krabbeplaat gebracht te worden. Daar moeten de jongens ook naar toe: op introductieweekend met de eerstejaarsstudenten Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek.

Geen meisjes? Waarschijnlijk niet. Of een paar. Delft is een jongensstad. Afgelopen studiejaar was een vijfde van de studenten van de Technische Universiteit Delft vrouw: 10.868 jongens tegenover 2.695 meisjes.

Susan: „De meisjes zijn hier wel anders.” Zoë: „Mondiger.” Margreke: „Praktischer, harder.” Susan: „En lomper.” Zoë: „Zeker. Dat moet ook wel, anders houd je het niet vol.”

Zoë Lagerweij is twintig. Ze studeert Technische Wiskunde aan de TU Delft. „Dat is dus toegepast, gewoon wiskunde is fundamenteel.” Margreke Brill (22) studeert Farmacie in Leiden. Susan Verheijen (21) doet de opleiding Food & Management aan de Hogeschool InHolland in Delft. De meisjes wonen met elkaar in een gemengd huis in de Delftse binnenstad, met in totaal vijf meisjes en vijf jongens. Alle drie zijn ze lid van de studentenvereniging Sanctus Virgilius. „Virgiel eigenlijk. Dat is de roepnaam”, zegt Susan.

Virgiel gaat er prat op de vereniging te zijn met de meeste meisjes in Delft. Susan: „Want dat trekt jongens aan.” Dit houdt in dat nog geen derde van de leden vrouw is. Zoë: „Ik vind het wel fijn dat er niet zo veel meisjes zijn. Ik ben zelf geen meisje-meisje.” Susan: „Er wordt tenminste niet zo gemiept en gepiept.” „Het is niet zo’n kippenhok”, zegt Zoë. Margreke: „Jongens zijn gewoon nuchterder over alles.”

Delftse studentes zijn „lelijke wijven”, is het vooroordeel, vertelt Susan. „Boerinnen”, vult Zoë aan. In hoeverre klopt dat? Heeft de mannenomgeving de meiden veranderd? „Als ik in Leiden was gaan studeren, had ik niet zo snel zelf een Ivar-kast in elkaar kunnen zetten, denk ik”, zegt Margreke. Zoë: „Als er op de sociëteit gasten staan te brassen krijg je af en toe ook een duw. Meisjes in Utrecht gaan dan piepen.” „Wij duwen terug”, zegt Susan. Zoë vertelt over een feest met verenigingen uit andere steden. Iedereen was verkleed. De meisjes uit Delft als cactus of als poppetjes uit het computerspel Sims. De meeste meisjes uit Utrecht als prinsesjes, zegt ze.

„De gasten hier zijn haantjes. Ze moeten vechten om de meisjes”, zegt Zoë. „Het is wel lastig voor ze”, vertelt Susan. „Vooral als er een gala is. Dan moeten ze een date regelen. Vaak halen ze dan meisjes uit andere steden. Zusjes met al hun vriendinnen.” „Of er wordt een hele jaarclub besteld. Meisjes die ze nog nooit gezien hebben. ‘Maakt niet uit, kom maar met zoveel mogelijk’, zeggen ze dan”, zegt Margreke. Zoë: „Ik werd een keer gevraagd voor een gala, terwijl ik zelf al iemand anders had gevraagd. Die eerste date heb ik toen gedumpt. Wel netjes afgezegd, hoor.”

Doordat ze in de minderheid zijn, krijgen de meiden sneller aandacht als ze uitgaan. „Maar niet alleen dat ze gelijk wat van je willen hoor, ook gewoon om te praten”, vertelt Susan. Margreke zegt dat ze veel ‘gewone’ mannelijke vrienden heeft, meer dan wanneer ze in een andere stad had gewoond. Zoë en Susan hebben allebei een vriendje. Margreke niet. „Ik ben heel kieskeurig. Dat er zoveel jongens zijn maakt voor mij geen zak uit.”

Om een kamer te vinden in Delft moet je ‘ingestemd’ worden: op een hospiteeravond (instemming) uitgekozen worden door de bewoners van het huis waar een kamer vrij is. En dat is voor meiden gemakkelijk. Margreke: „Veel huizen willen graag een meisje erbij.”

Hun vereniging Virgiel heeft gescheiden mannen en vrouwen jaarclubs. „Er zijn al zoveel jongens. Ik vind het wel fijn dat we samen ons eigen clubje hebben”, zegt Susan. En als ze onder elkaar zijn, dan zijn ze „ultiem wijvig”, zeggen ze alle drie. Margreke: „Goede Tijden Slechte Tijden kijken. Chocolade eten.” Zoë: „Heel erg roddelen.” „Maar we zijn ons er dan wel van bewust”, zegt Margreke, „ ‘Wat zijn we ultiem wijvig aan het doen’, zeggen we dan tegen elkaar.”

De meiden moeten op de foto, ieder in hun eigen kamer. „Ik zou echt nooit fotomodel willen zijn!”, roept Susan, als ze uitgeposeerd is. Zoë, op het moment dat ze op de foto gaat: „Ik heb niet eens in de spiegel gekeken.” Susan antwoordt: „Je ziet er goed uit hoor!” Als de fotograaf al zeker tien keer heeft geklikt, zegt Margreke: „Zie ik er eigenlijk wel goed uit?” Zoë: „Ja hoor, echt!” Ze gaan met zijn drieën op de foto in de ‘GR’, de gemeenschappelijke ruimte. „Wat moeten we doen? Wulps op de bank liggen?”, vraagt Margreke. „Ik voel me net alsof ik in America’s Next Topmodel zit!”

Susan had gelijk. Halverwege het gesprek zei ze al: „Het is niet zo dat meisjes in Delft geen meisjes zijn.”