Vrouwentennis?

Geen profs in de halve finales van de NK en slechts één Nederlandse proftennisster (Krajicek) in de top-100. Waarom vinden Nederlandse vrouwen geen aansluiting bij de internationale top?

Manon Bollegraf, ex-proftennisster en bondscoach Nederlands Fed-Cupteam: „We hebben de afgelopen jaren een aantal talenten gehad, maar die zijn niet doorgegaan naar het proftennis. Sylvana Bauer bijvoorbeeld. Momenteel twijfelt Renée Reinhard (16, red.) of ze de overstap maakt. De resultaten bij de junioren zijn goed, maar het is jammer dat niet meer meisjes de verbetenheid hebben van Michaëlla Krajicek (17, de nummer 36 op de wereldranglijst, red.). Wij zoeken naar de reden waarom meisjes steeds afhaken. De randvoorwaarden zijn er; van een coach als Goetzke kunnen ze veel leren. De overstap naar het profcircuit is moeilijk. Vergeleken met Oost-Europese landen is school in Nederland een grotere concurrent van topsport. Voor topsport moet je alles doen en laten. Ik hoor wel eens van meisjes dat het hard en eenzaam is. We proberen een spelersgroep te creëren met meisjes die samen trainen, en elkaar naar de top pushen. Ze moeten onderling de confrontatie aangaan om elkaar hard te maken. Dat is je voorland.’’

Tom Nijssen, assistent-bondscoach Jong Oranje en Fed-Cupteam: „Dit is een minder doorgewinterde lichting. We hebben wel een groep meisjes van 15, 16 jaar oud waar muziek in zit. De overstap naar de senioren is moeilijk. Je moet veel tijd investeren, veel reizen, veel stress. In onze maatschappij zijn we geneigd school te laten prevaleren boven een topsportcarrière. Op hun zeventiende of achttiende haken meisjes af, omdat de druk om aansluiting te vinden bij de internationale top te groot is. In Oost-Europa hebben talenten niks anders en is tennis een middel om iets te bereiken. Veel buitenlandse meisjes spelen op hun 17de al WTA-toernooien. Wij huppelen daar achteraan. Hopelijk is Krajicek een stimulans voor de komende generatie.”

Marcella Mesker, oud-proftennisster, commentator voor Studio Sport: „De ene lichting is beter dan de andere. Talent is er wel, maar de overstap naar proftennis is moeilijk. Als meisje is het moeilijk om alles op te offeren voor een topsportcarrière. Er zijn veel alternatieven en afleidingen voor Nederlandse meisjes. In de landen van het voormalig Oostblok staat sport maatschappelijk hoog in aanzien, en bestaat de echte wil om te winnen. In Nederland zijn er zoveel andere dingen. Waarom zou je dan zeven dagen per week hetzelfde doen? Michaëlla Krajicek moet het voortouw nemen. De faciliteiten in Nederland zijn op zich goed. Er zijn genoeg clubs, banen en trainers met knowhow.”

Hans Felius, technisch directeur Nederlandse tennisbond: „Er is een enorm gat gevallen na de meisjes, die in 1974 of 1975 zijn geboren. In 1999 hebben we beleid ingezet om te zorgen dat er nieuwe speelsters in de tophonderd komen. Bij de junioren staan er wel meisjes in de top-100 maar die hebben de overstap naar de senioren nog niet gemaakt. Niet iedereen is geschikt voor topsport en is bereid hard te trainen en de wereld rond te reizen. Dat zie je vooral bij meisjes. Maar we komen van een situatie, waarin er zelfs bij de junioren niks was. Nu is er achter Krajicek een groep talenten: Renée Reinhard, Arantxa Rus en Nicolette van Uitert. Van Stephanie Herz werd vier jaar geleden gezegd dat ze de nieuwe nummer één van de wereld kon worden. Zij volgt met haar ouders haar eigen pad. Haar resultaten zijn niet hoopgevend.”

Sven Groeneveld, voormalig coach van topspeelsters Mary Pierce en Aranxta Sanchez-Vicario: „We hebben wel wat namen gehad bij de vrouwen, maar nu valt er een gat. Michaëlla Krajicek heeft haar verdere opleiding in Tsjechië genoten. De top bereiken is een kwestie van mentaliteit, kunnen afzien, geen afleiding hebben en op jonge leeftijd gehard raken. Er zijn landen waar het wordt geaccepteerd dat een twaalfjarige de wereld rondreist om toernooien te spelen. Eigenlijk moet je vanaf je veertiende fulltime bezig zijn met tennis. Nederlandse talenten draaien goed mee tot hun veertiende of zestiende. Maar dan komt die stap. Om jong talent goed op te leiden moeten de scholen meewerken en weten wat het betekent om topsporter te zijn.”