Voorspellen is weten

Maandag overleed psycholoog A.D. de Groot (91). Hij bepaalde het gezicht van de Nederlandse psychologie.

Pieter J. van Strien

Met zijn bekende onderzoek naar het denken van de schaker was De Groot een vroege pionier van de cognitieve psychologie. Hij was ook een invloedrijk methodoloog en bovendien stond hij aan de wieg van de schooltoetstechniek van het CITO.

Generaties psychologen en sociologen werden grootgebracht met zijn in 1961 verschenen leerboek Methodologie. Hierin bracht hij hen de “grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen” bij, met de befaamde empirische cyclus als hoeksteen. Die cyclus beschrijft de opkomst en (vaak) ondergang van een wetenschappelijke hypothese. Een theorie wordt gevormd door observatie en inductie (de inductieve fase, van specifiek naar algemeen) en vervolgens worden er uit de theorie voorspellingen afgeleid en in de praktijk getoetst (de deductieve fase, van algemeen naar specifiek). De Groots Methodologie maakte korte metten met het tot die tijd overheersende speculatief-interpretatieve denken. Het werd niet alleen in het Engels, maar zelfs in het Japans vertaald.

In de wereld van het onderwijs geldt De Groot vooral als degene die met zijn vlot geschreven Vijven en zessen, Cijfers en beslissingen: het selectieproces in ons onderwijs (1966) de willekeurigheid van de cijfer- en overgangs-hordeloop in ons onderwijssysteem aan de kaak stelde en daar zijn expeditiemodel tegenover plaatste: eerst selecteren door objectieve toetsen op geschiktheid, dan de leerling meenemen naar de eindstreep.

Toch berust De Groot’s internationale reputatie op een heel andere bijdrage, namelijk het onderzoek naar Het denken van den schaker waarop hij in 1946 promoveerde. Dat werk kreeg pas de aandacht die het verdiende toen Nobelprijswinnaar Herbert Simon, een van de grondleggers van de cognitieve psychologie in Amerika – op zoek naar regels voor de ontwikkeling van een computer-schaakprogramma – het boek in handen kreeg en ‘zichzelf Nederlands leerde om het te kunnen lezen’. Mede door zijn toedoen verscheen er in 1965 een Engelse vertaling.

Adriaan Dingeman de Groot werd op 26 oktober 1914 geboren te Santpoort als nakomertje in het gezin van een huisarts. Hij bezat al vroeg een ‘filosofische verwondering’ over de zo verschillende karakters van mensen en over de achtergrond van meningen en misverstanden. Hij toonde ook al jong een groot schaaktalent, maar dacht er ook over componist te worden. Zonder veel overtuiging koos hij voor een wiskundestudie. Tijdens die studie boog hij zich vaker over het schaakbord dan over een wiskundeboek. Hij werd schaakkampioen van Amsterdam (1937) en tijdens het AVRO schaaktoernooi (1938) fungeerde hij als verslaggever voor een schaaktijdschrift, hetgeen hem in contact bracht met wereldkampioen Max Euwe.

duitse geleerden

Maar in zijn studententijd schaakte hij niet alleen. In 1934 volgde hij een cursus aan de Internationale School voor Wijsbegeerte en hij bezocht lezingen van allerlei Duitse geleerden die Nederland aandeden op weg naar hun emigratiebestemming. Op die manier maakte hij kennis met de denkbeelden van psychologen als A. Adler, C.G. Jung en later ook Charlotte Bühler, maar ook van de socioloog Karl Mannheim en van filosofen van de Wiener Kreis. Ook van zijn wis- en natuurkunde-hoogleraren ging trouwens een sterke filosofische impuls uit: L.E.J. Brouwer met zijn intuïtionisme, G. Mannoury met zijn significa en A. Pannekoek met zijn communistisch internationalisme. Hij las ook het werk van Karl Popper, maar een eerste persoonlijke ontmoeting kwam pas tot stand in 1946.

Toen een studievriend in 1937 van de wiskunde omzwaaide naar de studie psychologie (toen nog als specialisatie binnen de filosofie) volgde hij diens voorbeeld, hoewel hij nog wel de onderwijsbevoegdheid voor wiskunde behaalde. Het aantal studenten psychologie bedroeg in Amsterdam nog geen tien. Vanaf 1939 volgde De Groot ook seminaria van de voor het Nazi-regime gevluchte Joodse psycholoog Otto Selz, die in Amsterdam asiel had gekregen. Hij voelde zich hier beter thuis, vooral toen hij een werkstuk mocht maken over denkprocessen bij schakers. Als materiaal dienden proeven die hij op voorspraak van Max Euwe had kunnen nemen op verschillende grootmeesters. Na afronding van zijn studie in 1941 koos hij dit als onderwerp voor zijn proefschrift. Zijn belangrijkste conclusie was dat schaakmeesters niet verder vooruit denken dan amateurs, maar vooral veel beter zijn in het inprenten en doorzien van stellingen en in het overzien van de winstkansen.

Inmiddels getrouwd ging hij na een weinig geslaagde periode als leraar wiskunde nog tijdens de oorlog werken bij de Psychologische Dienst van de Nederlandse Spoorwegen te Utrecht en na de oorlog bij die van Philips te Eindhoven.

hoogleraar

In 1948 werd De Groot benoemd tot lector toegepaste psychologie aan de Gemeente Universiteit te Amsterdam, vanaf 1950 was hij er hoogleraar. Centraal in zijn werk kwam toen steeds meer de vraag van de toetsbaarheid van psychologische uitspraken. Hij werd niet moe te beklemtonen dat je pas iets weet als je iets kunt voorspellen.

Toen De Groot steeds vaker opdrachten bereikten voor onderwijskundig onderzoek richtte hij in 1957 het “Research Instituut voor Toegepaste Psychologie” (RITP) op. Hieruit is uiteindelijk (in 1968) het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO) te Arnhem voortgekomen.

In 1973 verhuisde hij naar Schiermonnikoog en wisselde zijn ‘groene weken’ af met ‘rode weken’ aan de wal, verwijzend naar de sterk gepolitiseerde sfeer in het Amsterdam van de jaren zeventig.

Na in 1979 in Amsterdam met emeritaat te zijn gegaan, aanvaarde hij op zijn 65e een persoonsgebonden hoogleraarschap te Groningen. In totaal staan er rond de 300 publicaties op zijn naam en trad hij tientallen keren op als promotor.

In zijn optreden in het wetenschappelijke debat heeft De Groot steeds het contrapunt opgezocht. Met onvermoeibare strijdvaardigheid trok hij van leer tegen ieder die zondigde tegen de spelregels van goede wetenschap, vaak in het openbaar, maar niet minder vaak in persoonlijk-terechtwijzende brieven. In een tijd van “zachte wetenschap” verdedigde hij “harde”, “empirisch-analytische” methoden. Studenten zagen in hem daarom – maar ten onrechte - een exponent van de “Amerikaanse” psychologie. Maar toen er eenmaal een werkelijke “Amerikanisering” optrad, wierp hij zich op als verdediger van “de Europese geest” en zijn Groningse afscheidscollege ging over Intuïtie.

teleurstelling

Ondanks alle erkenningen die hij had gekregen, waren De Groots laatste levensjaren gekenmerkt door geresigneerde teleurstelling. Hij mocht dan wel door zijn schaakonderzoek internationale erkenning hebben gevonden als ‘proto-cognitivist’, liever was hij de geschiedenis ingegaan als de grootmeester die orde op zaken had gesteld in zijn vak. Hij vond troost in het maken van muziek. In 2003 ontvingen vrienden een CD met zijn piano-improvisaties. Wellicht heeft hij te weinig beseft hoezeer zijn Methodologie als canon heeft gediend voor goed sociaal-wetenschappelijk onderzoek.

Van Strien is emeritus hoogleraar psychologie te Groningen