‘Vergrijzing is goed nieuws’

De jonge generatie onderhoudt de oudere. Econoom Lans Bovenberg onderzoekt de houdbaarheid van deze afspraak. ‘Je moet investeren in weerbare mensen die risico’s aandurven.’ Dirk van Delft

Als het aan econoom Lans Bovenberg ligt, krijgt de moderne levensloop een ‘speelkwartier’, een ‘gezinsfase’ en een actieve ‘seniorenfase’. Die laatste stopt voorbij het 65ste levensjaar – het is afgelopen met vut en Zwitserlevengevoel.

“Begin jaren tachtig werd het: ouderen eruit, jongeren erin”, zegt Bovenberg in zijn kamer op de Tilburgse campus – aan de muur foto’s van de hoogleraar als wielrenner, berg op. “En dat ging hand in hand met het propageren van een cultuur die het leven na de vut verheerlijkte. Terwijl onderzoek aantoont dat thuiszitten mensen helemaal niet gelukkig maakt. De moderne uitdaging is om mensen weer in hun werk bevrediging te laten vinden. Om werkgevers te leren hoe je ook alweer de talenten van ouderen benut. Om jongeren de gelegenheid te bieden werk en kinderen te combineren. Dat vergt een cultuuromslag.”

Bovenberg is initiatiefnemer van Netspar, het Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement. In dit multidisciplinaire expertisecentrum rond levensloop, vergrijzing en pensioenen participeren zo’n twintig publieke en private partijen. Thuisbasis is de Universiteit van Tilburg.

laureaat

Het begon allemaal in 2003, toen Bovenberg een Spinozapremie won. Voor de 1,5 miljoen euro had hij snel een bestemming: Netspar. Zelfs wist de laureaat in korte tijd een breed gezelschap voor zijn project te interesseren: banken, verzekeraars, pensioenfondsen, de sociale verzekeringsbank (SVB), ministeries en universiteiten. Aldus groeide het startkapitaal uit tot dertig miljoen. “Die Spinozapremie heeft mijn ondernemerschap enorm aangewakkerd”, zegt Bovenberg. “Het blijkt dat mensen zich graag verbinden met kwaliteit, zonder de status van die prijs was het nooit gelukt.”

“Er wordt in Nederland vaak gesproken over de kennisparadox”, zegt Bovenberg. “De industrie en de technische universiteiten zouden te weinig aan kennisuitwisseling doen. Netspar is een poging tot kennisuitwisseling tussen sociale wetenschappen en financiële dienstverlening. Europa staat op een kruispunt. Een afstervende renteniereconomie die risico schuwt en mensen vroeg afschrijft, moet de slag maken naar een rentmeestereconomie die investeert in weerbare mensen die risico’s aandurven.”

Vergrijzing geldt als een bedreiging voor de solidariteit binnen onze samenleving, zegt Bovenberg. “De stilzwijgende afspraak tussen de generaties is dat iedere generatie het menselijk kapitaal van de volgende vormt, waarna de oudere generatie aan het eind van het leven wordt onderhouden door de jongere generaties die zij heeft helpen opvoeden. De vergrijzing zet dat contract onder druk. Jongeren van nu moeten vooral oppassen dat de talrijke babyboomgeneratie geen blokkade vormt. Ook moet er solidariteit zijn binnen de oudere generatie, tussen gezonde welvarende ouderen en kwetsbare ouderen. Uiteindelijk meet je de kwaliteit van een samenleving toch af aan zijn omgang met kwetsbare kinderen en ouden van dagen.”

paplepel

Lans Bovenberg (1958) groeide op in een gereformeerd accountantsgezin in Oosterbeek. “Mijn vader was actief in de ARP, de Anti-Revolutionaire Partij. De interesse in maatschappelijke aangelegenheden is me met de paplepel ingegoten. Op de middelbare school gingen bètavakken me gemakkelijk af, aan talen had ik een grote hekel. Het lag dus voor de hand dat ik iets exacts ging doen, maar dan wel iets exacts met een sociaal tintje. Aldus kwam ik uit bij econometrie: statistiek en wiskunde, maar ook economie.

“De studie econometrie op de Erasmus Universiteit Rotterdam verliep goed, ik kon het allemaal prima aan, maar het was 95 procent wiskunde en statistiek en maar een klein beetje economie. Dat was niet de bedoeling. Toch had het een voordeel. Toen ik in 1981 mijn promotieonderzoek op Berkeley begon, was ik de meeste PhD-studenten op het gebied van wiskunde en statistiek ver vooruit. Eerst econometrie doen en pas dan economie is zo gek niet. Topeconomen beginnen opvallend vaak exact. Jan Tinbergen, een van mijn voorbeelden, startte met theoretische fysica en ook Sweder van Wijnbergen, Rick van der Ploeg en Jo Ritzen studeerden eerst natuurkunde. Misschien is economie niet altijd de beste vooropleiding voor een wetenschappelijk econoom.”

Lans Bovenberg promoveerde in 1984. Ook in persoonlijk opzicht was Berkeley een succes. “Ik ben enig kind en nogal beschermd opgevoed”, zegt hij. “In Amerika was ik op mezelf teruggeworpen. Ik ben er volwassen geworden, Californië heeft mijn persoonlijkheid goed gedaan. Bovendien leerde ik er mijn vrouw kennen. Een geweldige tijd.”

Na zijn promotie verhuisde Bovenberg naar de Amerikaanse oostkust. In Washington kreeg hij een beleidsfunctie bij het IMF, het Internationale Monetaire Fonds. “Snel de zaken op een toegankelijke manier op papier zetten: ik heb het op het IMF geleerd. Veel wetenschappers kunnen dat niet goed. En het reizen en congressen bezoeken heeft me een internationaal netwerk opgeleverd waar ik nóg plezier aan beleef.”

knagen

Niettemin begon het te knagen dat hij op het IMF niet zelf zijn agenda mocht bepalen, dat niet zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid voorop stond maar politiek en beleidslijnen van bovenaf. Na vijf jaar keerde Bovenberg terug naar Nederland, ook om privéredenen. “Mijn ouders werden een dagje ouder en als enig kind wilde ik in de buurt zijn. Ook was mijn vrouw in verwachting van ons eerste kind en de hectische IMF-omgeving – twee weken van te voren krijg je te horen dat je naar Kazachstan moet, voor een sociaal leven is weinig ruimte – was in combinatie met een gezinsleven een weinig aantrekkelijk perspectief. Ik heb die tien jaar Amerika volop genoten van wat in de moderne levensloop ‘speelkwartier’ heet. Nu brak de gezinsfase aan, in Nederland.”

Het was Arie Kapteyn, directeur van het centrum voor economisch onderzoek CentER, die Bovenberg naar Tilburg haalde en de echte wetenschap in trok. Kapteyn schonk Bovenberg alle vrijheid van de wereld. “CentER diende verder te internationaliseren en daar kon ik met mijn Amerikaanse ervaringen aan bijdragen”, zegt Bovenberg. “Zonder Arie Kapteyn was ik de wetenschap niet ingegaan. In Tilburg waren geen ambtenaren die me lastig vielen, ik werd vrijwel volledig vrijgesteld voor onderzoek. Die luxe was nieuw, altijd had ik beleidsnota’s moeten schrijven. Tilburg is voor mijn wetenschappelijke carrière cruciaal geweest. De Spinozaprijs dank ik aan onderzoek dat ik van ’92 tot ’95 op CentER heb verricht en dat ik in alle rust in internationale tijdschriften heb kunnen publiceren.”

Hoofdonderwerp in Tilburg was het ‘milieu’. “Dat was toen in Nederland actueel”, zegt Bovenberg. “Milieuheffingen zouden een tweesnijdend zwaard zijn. Goed voor het milieu en door de opbrengst te benutten voor een verlaging van de inkomstenbelasting creëerde je in één moeite door nieuwe werkgelegenheid. Dat was dus een populaire theorie. Nadat ik er bij Economische Zaken aan was begonnen, heb ik het onderzoek naar milieuheffingen in Tilburg dieper uitgewerkt. Met als slotsom dat het idee van een tweesnijdend zwaard een illusie bleek. Milieuheffingen zijn goed voor het milieu, maar van een effect op de werkgelegenheid moet je niet te veel verwachten. Het inzicht was dat milieuheffingen impliciet een belasting vormen op arbeid, en zo de werkgelegenheid ontmoedigen. Jan Tinbergen zei al: twee doelen vragen om twee instrumenten.”

uitstapje

Los van een uitstapje naar het Centraal Planbureau in Den Haag, waar hij van 1995 tot 1998 onderdirecteur was, is Bovenberg Tilburg trouw gebleven. Publicaties over pensioenen, vergrijzing en levensloop kregen de boventoon, resulterend in Netspar. Het instituut steunt op drie pijlers: fundamenteel lange termijnonderzoek, kennisuitwisseling tussen wetenschap en beleid, en onderwijs.

“Netspar telt nu een kleine dertig senioronderzoekers”, zegt Bovenberg. “Het zijn hoogleraren van overal uit het land die werken aan onderzoeksprojecten passend bij hun expertise. Naast dat A-team zijn er de juniors, net gepromoveerde onderzoekers die Netspar zes jaar de ruimte geeft om zich te bewijzen – en wie het goed doet krijgt een vaste baan. Er komen brainstormsessies en een team redacteuren onder aanvoering van Rick van der Ploeg redigeert overzichtsartikelen bestemd voor een publiek van niet-wetenschappers. Onze ambitie: in Europa hét gezaghebbende instituut worden op het vlak van pensioenen en vergrijzing.”

De problemen op het gebied van vergrijzing en pensioenen zijn dan ook levensgroot. Zoals: hoe verdelen we risico in een vergrijzende economie? “Vroeger was het geen kunst om ouden van dagen zekerheid te bieden”, zegt Bovenberg. “Er waren zo veel jongeren en zo weinig ouderen, als het even tegenzat op de beurs hoefde de pensioenpremie maar een ietsje omhoog. De vergrijzing keert die verhoudingen om en zekerheid bieden aan ouderen is een probleem. Om die reden is het pensioenstelsel de afgelopen jaren al flink verbouwd, denk aan de omslag van het eindloon- naar het middelloon-systeem. En aan de indexatie op verkregen rechten zijn nu voorwaarden verbonden, er is minder zekerheid.”

Een andere vraag waarover Netspar zich buigt: hoe onderhoud je talenten van mensen? “Nederlanders sparen veel en dat is goed”, zegt Bovenberg. “Maar als we niet investeren in mensen en die pensioenpotten straks gaan opeten, dreigt inflatie. Dan heb je het over de pensioenleeftijd. De arbeidsmarkt voor ouderen kan niet buiten een flexibele aanpak: korter werken, vier maanden met vakantie, dat soort zaken. Het vereist een cultuuromslag bij werkgevers en werknemers. Maar die komt eraan. Er bestaan nu al uitzendbureaus voor ouderen. Het kabinet heeft al veel wissels omgezet op dit terrein. Nu nog de cultuur veranderen op de werkvloer.”

commotie

De mensen willen zekerheid, zegt Bovenberg. “Tegelijk zie je enorme spanning tussen de behoefte aan stabiliteit en de flexibiliteit die een veranderende wereld ons oplegt. Vandaar de commotie rond het vroegpensioen. Het belangrijkste: in een langer leven kun je dingen combineren. Vergrijzing geldt als slecht nieuws, als een bedreiging. Maar eigenlijk is het goed nieuws. Een langer gezond leven maakt menselijk kapitaal duurzaam, dat is hartstikke mooi. Ouderschap combineren met een carrière kan nu in principe beter. Dat is van groot belang: vrouwen worden buitenshuis meer waard, mannen relatief minder. Nu persen we ons arbeidzame leven precies in de periode dat we kinderen opvoeden. Dat geeft frictie. Het beter combineren van werk en zorg over de levensloop kan die frictie wegnemen.”

Natuurlijk vinden veel werkgevers levensloopregelingen maar vervelend, zegt Bovenberg. “Opeens moet hun organisatie anders. Maar een verstandige werkgever kijkt naar de toekomst. De talenten van de toekomst zullen arbeid en zorg willen combineren. Daar moet je je organisatie dus op inrichten. Eigenlijk zijn we te laat begonnen. Er is in vijftigplussers qua scholing nooit veel geïnvesteerd en dat pleit voor terughoudendheid. Zonder levensloopregelingen verliezen mensen in de gezinsfase de lust om in de oudere generatie te blijven investeren. En dan ligt de bijl aan de wortel van het intergenerationele contract en aan de sociale samenhang tussen generaties.”

Bovenberg is iemand die van afwisseling houdt. “Ik schaak op drie borden”, zegt hij, “wetenschap, beleid en ondernemerschap.” Al jarenlang staat hij nummer één in de ‘ESB-polderparade’, de hitlijst van aantallen citaties in Nederlandse vakliteratuur samengesteld door het tijdschrift Economische Statistische Berichten. Ook roert hij zich in het publieke debat en is hij adviseur van het CDA – waarbij zijn wetenschappelijke inzichten soms botsen met wat politiek als wenselijk geldt. Aan afbouwen van zijn carrière is hij voorlopig nog niet toe. “Eer Netspar fatsoenlijk op de rails staat zijn we voorbij 2010. Daarna wil ik in deeltijd verder om me ook met theologie te kunnen bezighouden. Dominee worden. Nu al preek ik af en toe in mijn kerkelijke gemeente.”

Dat is de evangelische pinkstergemeente Jefta in Breda. In het Nederlands Dagblad zei Bovenberg dat God ‘grote plannen’ met hem had. “Altijd heb ik in mijn werk als econoom de verbinding gezocht tussen wetenschap en beleid, heb ik geprobeerd me te richten op zaken van maatschappelijk belang. Ook vanuit mijn geloof hecht ik eraan dat generaties naar elkaar omzien, dat normen en waarden worden doorgegeven. Geloof en wetenschap sluiten elkaar niet uit, geloof voedt zindelijk denken.”

Dit is aflevering 10 in een maandelijkse serie portretten van Nederlandse wetenschappers van naam en faam.