Tatoeage

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag helpt ze een pistoolkindje ter wereld.

Halverwege de presentatie van dokter De Wit zie ik hem plotseling voor me: zijn rode neusje om een lantaarnpaal gevouwen, zijn achterste met grof geweld geopend. Ontvoerd, verkracht, gestript en gedumpt. Waar halen die klootzakken het lef vandaan om míjn Fordje...

„Anne: welke diagnostiek zou je inzetten?” Zeven gynaecologen, vijf arts-assistenten en zes co’s draaien zich naar me om. „Sorry, ik ehh... Mijn auto is gisteren gestolen”, breng ik uit.

„Tsja. Wat vervelend.” De Wit aarzelt, krabt aan zijn voorhoofd. „Waar stond hij dan?” Dan barst de zaal los, blijkbaar opgelucht dat het startsein is gegeven om zijn presentatie te onderbreken. „Wélk parkeerterrein?” „Daar moet je hem ook nóóit zetten!” „Geen stúúrslot?” „Maar wáárom niet all-risk?”

Opgelucht loop ik een kwartier later achter Sophie, de arts-assistent van de verloskamers, de overdrachtsruimte uit. Het lijkt wel alsof ik zojuist in een strafzaak mijn eigen onschuld heb moeten verdedigen. Terwijl ik liever gewoon elk kwartier een welgemeend ‘de klootzakken!’ zou roepen. Waarop dan instemmend geknik zou volgen.

„Om je dag een beetje goed te maken, mag jij deze bevalling doen”, zegt Sophie op de gang. „Zesde kind, goede weeën, heel relaxte vrouw. Ze heeft persdrang en ik gok dat ze VO is.” Ze opent de deur van verloskamer twee.

Boven de lakens staren twee grote bruine ogen me aan onder een wirwar van vlechtjes. „Ik moet poepen”, piept ze, haar wenkbrauwen in een krampachtige frons. De man op het krukje naast haar lacht ongemakkelijk, haalt zijn pet van zijn hoofd, strijkt door zijn kroeshaar, en zet hem weer op. Op de klep staat een rode Mustang. Ik dwaal weer even af naar mijn Ford: ligt hij op de bodem van het kanaal? Of rijdt er nu doodleuk iemand anders in?

Ik slik een zoveelste ‘de klootzakken’ in en zet de twee beensteunen omhoog. Rond haar navel heeft mevrouw een vreemde tatoeage, valt me op. Twee dikke strepen, haaks op elkaar. Ik kan zo snel niet zien wat het voorstelt. Ik trek mijn handschoenen aan en tast rond het babyhoofdje: geen randje meer te bekennen. „Volkomen ontsluiting”, lach ik. „We gaan persen.”

Verdere instructies blijken voor deze professional overbodig. Lenig gooit ze de benen in de nek, neemt een hap lucht en perst het hoofdje soepel richting nooduitgang. Nog geen minuut later wordt een glibberig hoopje mens in mijn armen gelanceerd. Trots wrijf ik het droog, leg het op de buik van de moeder, en overhandig het petje de schaar voor de navelstreng. Dan zie ik plotseling haar tatoeage in alle scherpte.

„De placenta”, stoot Sophie me aan, als ik versteend naar het pistool blijf staren. Het handvat staat links op de buik getekend, de loop krult zich boven langs de navel heen, recht op ons gericht. Terwijl de placenta in één perswee geboren wordt, zie ik in mijn ooghoek hoe papa tevreden zijn zoontje wiegt.

„Ik heb zojuist hun zesde pistoolkindje ter wereld geholpen”, stamel ik tegen Sophie, als we even later weer op de gang staan. Ze schiet in de lach. „En dikke kans dat papa, mama en baby pistool vanmiddag vrolijk met zijn allen in een gehavende Ford Escort naar huis rijden.”