Strikte regels voor weren spookstudent

Universiteiten en hogescholen krijgen geen geld meer voor buitenlandse studenten die ze wel hebben ingeschreven, maar die niet daadwerkelijk onderwijs volgen in Nederland.

Een spoedwet moet een einde maken aan een constructie die dat nu nog wel mogelijk maakt.

Dat heeft het kabinet gisteren bekendgemaakt. De maatregel volgt op een uitspraak van de Raad van State van begin augustus. Daarin werd bepaald dat de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) te Leeuwarden een subsidie voor buitenlandse studenten van 830.000 euro niet hoefde terug te betalen aan het ministerie van Onderwijs, ook al waren deze studenten niet in Nederland geweest.

De CHN ontving de subsidie voor enkele honderden buitenlandse studenten die bij de hogeschool stonden ingeschreven. Ze studeerden aan Russische en Indonesische instellingen waarmee de CHN een contract had afgesloten, maar kwamen niet of nauwelijks in Nederland. De Raad van State oordeelde dat de constructie grotendeels onrechtmatig is. Toch krijgt het ministerie het geld niet terug, omdat toenmalig staatssecretaris Rutte (Onderwijs, VVD) in zijn claim geen formeel onderscheid maakte tussen de Russische en de Indonesische constructie.

Door deze uitspraak van de Raad van State dreigt het ministerie een streep te moeten zetten door de claims in de zogenaamde ‘hbo-fraudezaak’. In totaal eist OCW 108 miljoen euro terug van verschillende instellingen. Slechts 29 miljoen euro is terugbetaald.

Met de spoedwet, tot stand gekomen op instigatie van de huidige staatssecretaris Bruins (Onderwijs, VVD), wil het kabinet voorkomen dat universiteiten en hogescholen nog langer gebruik kunnen maken van deze „ongewenste constructie”. Het kabinet vindt, blijkens een persverklaring, „dat het nooit de bedoeling kan zijn geweest dat met Nederlands belastinggeld buitenlandse studenten worden gefinancierd die op geen enkele wijze onderwijs in ons land volgen”.

Het kabinet zegt nog steeds achter internationalisering en mobiliteit in het hoger onderwijs te staan, maar vindt niet dat deze door instellingen in het hoger beroepsonderwijs gehanteerde constructie daaraan bijdraagt.