Radicalen warmen zich aan ‘overwinning’ van Hezbollah

De oorlog in Libanon heeft de radicale krachten in het Midden-Oosten versterkt. De ‘moed’ van Hezbollah om Israël te weerstaan, werkt inspirerend. Sektarische tegenstellingen verdwijnen even naar de achtergrond.

De voorlopige uitkomst van de oorlog tussen Hezbollah en Israël, het gestegen aanzien van de Libanese fundamentalistisch-shi’itische organisatie Hezbollah, heeft het radicale segment van de Arabische wereld versterkt. De Syrische president Bashar al-Assad, met Iran de belangrijkste steunpilaar van Hezbollah, schreeuwt triomfantelijk zijn gelijk van de daken. Sunnitische fundamentalistische oppositiegroepen als de Egyptische Moslimbroederschap liften mee op het succes van Hezbollah dat in de Arabische publieke opinie heeft gewonnen door niet het onderspit te delven tegen de krachtigste krijgsmacht in het Midden-Oosten. Hezbollahleider Hassan Nasrallah, een shi’itische geestelijke, is een nooit-gedachte sunnitische volksheld.

Verliezers zijn de seculiere oppositiegroepen, die de afgelopen jaren in de tang tussen hun regeringen en de opkomende fundamentalisten al ernstig waren verzwakt. Ook zij moeten meezingen in het pro-Hezbollah- en anti-Israël-koor.

Maar ook Amerika’s beste bondgenoten in de regio zijn beschadigd: ‘gematigde’ – in de praktijk zeer autoritaire – leiders als de Egyptische president Hosni Mubarak, de Jordaanse koning Abdallah en de Saoedische koning Abdullah. Ze zijn in belangrijke mate afhankelijk van Amerikaanse wapens en/of economische hulp, maar Washington wordt voor hen met zijn steun voor Israël tegen Hezbollah en het Palestijnse Hamas en zijn rol in Irak een steeds grotere psychologische schadepost.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice zag kort na het begin van de oorlog nog „een nieuw Midden-Oosten” in het verschiet waarvan het geweld „de barensweeën” vormden. Maar de Jordaanse koning schamperde vorige week op de BBC: „Een nieuw Midden-Oosten? Als ik naar dit nieuwe Midden-Oosten kijk, zie ik wat er gebeurt in Somalië. Ik zie wat er gebeurt in Gaza, ik zie wat er gebeurt in Libanon. Ik zie wat er gebeurt in Irak. Is dat een nieuw Midden-Oosten?”

„Elke keer dat we een crisis hebben, wordt het veel instabieler”, zei hij. „En het eindresultaat, of waarnaar we als Midden-Oosten in de toekomst op weg zijn, is zeer duister. Ik kan de politieke kaart van het Midden-Oosten niet meer lezen omdat ik alleen nog zoveel donkere wolken zie hangen [..] Ik vrees werkelijk voor de toekomst van het Midden-Oosten.”

Aan het begin van de confrontatie tussen Israël en Hezbollah, die vorige maand begon met de ontvoering van twee Israëlische militairen, gaven Mubarak, Abdallah en Abdullah niet alleen Israël, zoals gebruikelijk, de schuld maar ook Hezbollah dat ze „roekeloosheid en avonturisme” verweten. Deze zelfbenoemde aanvoerders van de sunnitisch-islamitische wereld zien Hezbollah als vijfde colonne van het shi’itische Iran waarvan zij de bedoelingen vrezen, en als lichtend voorbeeld voor hun eigen fundamentalistische opposities die onder de huidige omstandigheden niet malen om de religieuze verschillen. Ze hoopten dat Hezbollah een lesje zou worden geleerd.

Maar de invloed van de dagelijkse televisiebeelden van de schade en slachtoffers van de Israëlische bombardementen op Libanon dwongen hen al snel over Hezbollah te zwijgen en zich te beperken tot hun anti-Israëlische retoriek. Nu zijn ze door de publieke opinie gedwongen toe te staan dat hun eigen, in normale tijden tamme pers Hezbollah als overwinnaar begroet en – voorzover het Jordanië en Egypte betreft – de banden met Israël aan de orde stelt, of zelfs bepleit ten oorlog te trekken.

President Mubarak van Egypte staat voorlopig sterk genoeg om zo vergaande eisen af te wimpelen. Minister van Buitenlandse Zaken Ahmed Abul Ghait sloot woensdag een diplomatieke breuk uit. Het terugroepen van de ambassadeur uit Tel Aviv noemde hij „een nutteloze en contraproductieve stap”. Maar wel prees hij de „moed” van Hezbollah (waar Mubarak aanvankelijk sprak over het ‘avonturisme’ van de organisatie).

Nog tekenender was dat de onafhankelijke krant Al-Masri al-Yom (Egypte Vandaag) het waagde een oproep tot jihad, heilige oorlog, tegen Israël te publiceren van de zeer populaire en invloedrijke sunnitische televisieprediker sjeik Yusuf Qaradawi. Hezbollah was een voorbeeld voor de Arabische leiders die „geen wil hebben om tegen Israël te vechten”, zo had Qaradawi volgens de krant verklaard op een conferentie van docenten in Kairo. Belangrijk is dat hij ook de doctrinaire verschillen tussen sunnieten en shi’ieten bagatelliseerde – in oorlogstijd moet daarover niet worden gezeurd, vond hij.

Qaradawi, een bejaarde fundamentalist met een miljoenenaanhang die nauwe banden met de Moslimbroederschap onderhoudt, is bepaald geen vriend van het Egyptische regime. In de jaren zeventig zat hij verscheidene malen vast. Zijn Egyptische nationaliteit werd hem toen ook ontnomen.

In Syrië is de situatie omgekeerd. Het (seculiere) leiderschap – niet lang geleden nog zwaar in de verdrukking – is opgetogen; de onderdrukte sunnitische meerderheid eerder bedrukt. De in ballingschap levende leiders van de Syrische Moslimbroederschap zwijgen over Hezbollah. Hun kans op een machtsovername is juist verkleind.

Ook Assad spotte deze week in een harde toespraak met Rices ‘nieuwe Midden-Oosten’, „een Midden-Oosten gebaseerd op onderdrukking en vernedering”. Zijn nieuwe Midden-Oosten is „een Midden-Oosten dat bij onze voorkeuren past [..] dat mogelijk werd gemaakt door de overwinning van de verzetsbeweging in Libanon”.

De leider van het grootste (anti-Syrische) blok in het Libanese parlement, Saad Hariri (zoon van de waarschijnlijk in opdracht van Syrië vermoorde premier Rafiq Hariri), was gisteren woedend omdat Assad in zijn toespraak zijn groep ervan betichtte met Israël te heulen. Hij noemde Assads woorden erger dan de verwoestingen die Israël in Libanon heeft aangericht (maar zorgde wel dat hij Israël even hard verketterde).

Maar de Syrische president weet dat in Europa, in de Verenigde Staten en zelfs in Israël stemmen opgaan om toch eens met zijn land te gaan praten in plaats van het verder te isoleren.