Ossenwaard – Overlangbroek

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in Utrecht

Ossenwaard blijkt geen gehucht te zijn, zoals ik opmaakte uit de stafkaart, maar een zelfkazende boerderij met bijgebouwen. Man gaat meteen kaas kopen („dat moet je allemaal meesjouwen, hoor”, „weet ik, bemoei je er niet mee”). Ik beland via een deur met ‘Museum’ erboven in een schoongemaakte koeienstal met petroleumstellen en DE-koffiebonenmolens en broodblikken die broodbussen heten. Weg hier en aan de wandel.

Onder een zachtmoedige dreighemel ligt de Oude Kromme Rijn groenig te doen, tussen wilgen en wilgjes, elzenbosjes, essenbosjes en biezen. Fontijnkruid steekt poezenstaartpuntjes boven het water uit, de bloemen van de gele plomp zorgen voor botergoud. Man bedenkt dat we best een extra lus kunnen wandelen, zodat we meer Kromme Oude Rijn hebben. Hij heeft gelijk, natuurlijk heeft hij gelijk. Van dit liefbochtige water moet zo lang mogelijk genoten worden.

Met natte neuzen (onze schoenen) sliffen we naar het noorden, over het grasspoor aan de vliet. En dan via een asfaltwegje langs een appelakker met oksels vol dikke vruchten, weer naar het zuiden. De Kromme Oude Rijn takt af in de Caspergouwse Wetering, de aanblik blijft dezelfde.

Koolwitjes bezoeken de kruipbloemen en de bloeiende klaver in het halmengroen. In hun weides liggen de dames koe erbij of ze bijkomen van een nachtje heavy metal, suffend, nagenietend: wat was het lekker, dat concert, ik voel het nog in mijn maag.

Er rommelt onweer. Het water begint te knipogen in honderdvoud. De donder ziet er vanaf, de regen niet. Harde stralen roffelen op het land, het water, ons, tot we allemaal soepel zijn en klaar voor wat volgt: het stille weer. Zonder wind, zonder warmte of koude, legt het een floers over de stoppelvelden en de verten. Hoog in het kalme grijs passeert een V met ganzen op drift. En overal verzacht nat lila licht de contouren.

Dit is de juiste stemming voor de zes vorstelijke kilometers van brug naar sluis langs het Amsterdam Rijnkanaal. In dubbele rijen waken de essen, elk hun eigen schaduw comfortabel onder hun kont, over het rustige water en de zwevende watervogels en de ongehaaste vrachtschepen, gangboorden diep, auto op het achterdek, waslijn in de stuurhut.

De route voert bovenlangs de dijk naar de sluis. Maar ik houd de wallekant aan, dichtbij de ijzeren huid van de aangemeerde schepen en hun opgetrokken ankers. Ik stap over de landvasten en luister naar het bemoffelde geklots tussen boeg en kade.

Op het vadsige Wijk bij Duurstede volgt een griend. Een polderjungle als grand finale. Het kan niet op.

15 km (plus een lus van 4 km). Kaarten 6, 7, 8 uit: Utrechtpad. Uitg. NIVON, Amsterdam, 2003. Geen OV tussen begin- en eindpunt. Tel. taxi 0900 2000 150 of 0900 8895 (minstens 1 uur van tevoren).