Met uitzicht op de Dam en op de Veluwe

Platteland én stad, rustiek groen én culturele voorzieningen: ‘landstedelijk’ wonen is in de mode. In ‘gestapelde landhuizen’ loopt men via de parkeergarage – ‘groot genoeg voor twee Bentleys’ – naar het zwembad en de fitnessruimte.

De Zonnekoning straalt weer. Zwanenwoud, een Heerenveense nieuwbouwbuurt vlakbij het oude Friese landgoed Oranjewoud, is al eens vergeleken met Versailles, het paleis dat de Franse koning Lodewijk XIV in de zeventiende eeuw liet bouwen. Toch is niet Versailles, maar Marly de inspiratiebron voor Zwanenwoud, legt Sjoerd Soeters uit, de ontwerper van het complex van 54 woningen dat drie jaar geleden werd voltooid. „Marly was het buitenverblijf dat Lodewijk XIV zes kilometer van Versailles liet bouwen om zich terug te trekken. Het bestond uit een paleis en twaalf paviljoens, die in twee rijen van zes aan weerszijden van een tuin met een grote vijver stonden opgesteld. Op Marly kwamen alleen de favoriete hovelingen van Lodewijk XIV. Het betekende veel als je op Marly werd uitgenodigd.”

Inspiratiebron is zelfs zacht uitgedrukt, zo blijkt als Soeters een reproductie van een oud schilderij van Marly laat zien. Het buiten van de Zonnekoning, dat na de Franse revolutie in 1789 werd verwoest, leeft voort in Zwanenwoud. „Net als Marly bestaat Zwanenwoud uit vrijstaande gebouwen die in twee rijen staan opgesteld. Alleen zijn het er in Friesland veertien. Maar ze staan wel, weer net als eens in Marly, aan weerszijden van een tuin, die is geënt op de formele Franse tuinkunst.” Toch is niet alles aan Zwanenwoud Frans en Louis Quatorze. Op sommige torenachtige bouwdelen van de paviljoens staan grote, witte zwanen, die lijken op de traditionele uilenborden van Friese boerderijen. En de grote dozen met panoramavensters, die als een soort serres aan de tuinkant voor de woningen zijn geplaatst, zijn met hun metalen omhulling beslist eenentwintigste-eeuws.

Zwanenwoud is een van de nieuwe ‘buitenplaatsen’ en ‘landgoederen’ die de laatste jaren her en der in Nederland zijn verschenen. In de nabije toekomst zullen er nog vele bijkomen. Opvallend vaak zijn ze gepland in gebieden die tot voor kort voor landbouw en tuinbouw waren bestemd. Boeren maken plaats voor landhuisbewoners: terwijl iedere dag acht van de ongeveer 120.000 Nederlandse boeren ophouden met hun bedrijf, maken steeds meer projectontwikkelaars plannen voor nieuwe buitenplaatsen en landgoederen. Zo wordt in een gebied bij Den Haag dat tot voor kort werd gedomineerd door glastuinbouw, de nieuwe wijk Vroondaal gebouwd waar ‘wonen op een landgoed’ een belangrijk onderdeel van is. In het Drentse Noord-Klazienaveen is in een oud veengebied Scholtenszathe gepland, een project dat moet uitgroeien tot het ‘grootste landgoed van Nederland’ waar woningbouw wordt gecombineerd met bos en recreatie. En in Skoatterwald, de wijk waar Zwanenwoud deel van uitmaakt, wordt binnenkort begonnen met de aanleg van een tweede nieuwe buitenplaats, Heerenwoud, met ‘organische’ woningen in een Engelse landschapstuin.

De nieuwe landgoederen en buitenplaatsen voorzien in de grote behoefte aan ‘landstedelijk wonen’, die het Ruimtelijk Planbureau vorig jaar in een rapport vaststelde. Veel Nederlanders, zouden het liefst „met de voordeur op de Dam en met de achterdeur aan de Veluwe” wonen, zo schrijven de onderzoekers van het Ruimtelijk Planbureau (RPB) in LandStad. Landelijk wonen in de netwerkstad. Ze willen de rust, het groen en de gemeenschappelijkheid van een dorp maar tegelijkertijd ook de culturele en recreatieve voorzieningen van een grote stad. Maar vrijstaande huizen vlakbij een grote stad zijn schaars in Nederland en in de vinexwijken die nu op tientallen plaatsen in aanbouw zijn, worden ze nauwelijks gebouwd.

Toch zien de RPB-onderzoekers wel mogelijkheden voor ‘landstedelijk wonen’ in Nederland. Volgens hen kunnen bij en zelfs in de grote steden de komende jaren 80.000 ‘landstedelijke’ woningen – één huis op twee hectare grond – worden gebouwd. Als een van de mogelijkheden van ‘landstedelijk wonen’ noemen de onderzoekers van het RPB nieuwe landgoederen. Dat ze nu pas overal in Nederland verschijnen, wijten de onderzoekers aan de rigide, centralistische ruimtelijke ordening die Nederland tot voor kort kende. Maar de nieuwe Nota Ruimte, die voorziet in de decentralisatie van de ruimtelijke ordening van de rijksoverheid naar de gemeenten en provincies, biedt mogelijkheden om meer Nederlanders hun voordeur op de Dam en hun achterdeur op de Veluwe te geven. De grote steden zullen ontdekken dat dit een van de manieren is om de huishoudens met middeninkomens en hoge inkomens in de stad te houden, zo verwachten ze.

De nieuwe landgoederen en buitenplaatsen sluiten aan op een oude Nederlandse traditie. „Nederland heeft relatief de meeste landgoederen ter wereld”, vertelt de stedenbouwkundige Eric van der Kooij die is gepromoveerd op landgoederen. „Nergens vind je er zo veel zo dicht bij elkaar.” Nederland telt nog zo’n 1.200 historische landgoederen en buitenplaatsen. „Historisch gezien bestaat er een belangrijk verschil tussen landgoederen en buitenplaatsen”, legt hij uit. „Bij een landgoed is vaak sprake van economische bedrijvigheid. Landgoederen omvatten ook boerderijen, stallen, schuren enzovoorts en zijn vaak grotendeels publiek toegankelijk. Buitenplaatsen bestaan uit een groot buitenhuis met een privésiertuin eromheen. Er staan er bijvoorbeeld nog altijd veel langs de Vecht. Hier gaat het alleen om buiten wonen.”

Bij de nieuwe landgoederen en buitenplaatsen speelt dit traditionele onderscheid geen rol, stelt Van der Kooij vast. Projectontwikkelaars zien een markt voor landgoederen en buitenplaatsen en gebruiken de begrippen door elkaar. Ook in vormgeving wijken de nieuwe landgoederen en buitenplaatsen af van de historische. „De oude landgoederen en buitenplaatsen werden heel uitgekiend ontworpen”, vertelt Van der Kooij. „Nederland is een plat land en de ontwerpers gebruikten allerlei trucjes om met minimale niveauverschillen maximale effecten te bereiken. Huizen, tuinen en omringende landschappen vormden een hechte eenheid. Daar is bij de meeste buitenplaatsen en nieuwe landgoederen nu geen sprake van. Heel vaak zijn ze niet meer dan een groot huis of een appartementengebouw met een grote tuin en een hek eromheen.”

Toch vindt Van der Kooij de nieuwe landgoederen en buitenplaatsen wel een „interessante opgave”. „Bij nieuwe landgoederen is bijna altijd sprake van een gemeenschappelijk gebruik van de omgeving”, zegt hij. „Dat zouden architecten op een nieuwe manier kunnen vormgeven.”

In Zwanenwoud heeft Soeters dit gedaan: de buitenplaats kent een ongebruikelijke verhouding tussen privé en openbaar terrein. Aan de voorkant heeft elk van de 54 woningen een kleine tuin, een parkeerplaats en een schuurtje. Aan de achterzijde, dat wil zeggen aan de kant die grenst aan de grote gemeenschappelijke tuin, is voor elke serre een verhoogd houten terras geplaatst. Van hier kunnen de bewoners via een trappetje de publiek toegankelijke tuin in.

Voor Arjen van der Grijn, een van de bewoners van het eerste uur van Zwanenwoud, is de ongebruikelijke overgang van privé naar openbaar gebied, de belangrijkste reden om te verhuizen naar Grou. „Het zijn prachtige woningen”, vertelt Van der Grijn. „En we hebben schitterend uitzicht op de tuin en vijver. Ook de omgeving is fijn: het nieuwe museum Belvedere en het oude landgoed Oranjewoud liggen als het ware in onze achtertuin. Maar als het mooi weer is, komen hier uit heel Skoatterwald kinderen spelen. Als ik binnen zit, vind ik dat niet erg. Maar op het terras krijg ik een onvrij gevoel. Ik heb geen kinderen, dat speelt natuurlijk mee. Voor gezinnen is het hier fantastisch.”

Van der Grijn mist ook voorzieningen in de buurt: echt landstedelijk wonen blijkt moeilijk op Zwanenwoud. „Ondanks de ongebruikelijke opzet blijft Zwanenwoud toch een buitenwijk”, zegt Van der Grijn. „Voor winkels en een café moet je de auto of de fiets pakken. Daarom verhuizen we nu naar een klein huis in Grou. Daar heb je wel dingen als winkeltjes en cafés.”

De nieuwe buitenplaatsen zijn niet alleen een oplossing voor vrijkomende landbouwgronden, ze bieden ook uitkomst voor oude landgoederen die wegens de hoge exploitatiekosten eigenaren niet zelden in financiële moeilijkheden brengen. De vier buitens van Groot Hoogelande, waarvan er nu twee zijn voltooid en twee in aanbouw, zijn er een mooi voorbeeld van. Ze zijn gebouwd op een stuk terrein dat vroeger tot het landgoed Rust en Vreugd van de familie Van Ommeren behoorde. „Er stond hier een melkfabriek”, vertelt Rob Kornman, directeur van Van Wijnen projectontwikkeling West die de vier buitens bouwt. „Toen die werd verkocht aan Campina en vervolgens naar elders werd verplaatst, kwam er grond vrij.” Maar de grond was zo duur dat de buitens alleen rendabel zijn als er een flink aantal worden gebouwd, aldus Kornman. Uiteindelijk zal Groot Hoogelande bestaan uit 36 ‘gestapelde landhuizen’, ongeveer zoals galerijflats ‘gestapelde rijtjeshuizen’ zijn.

Toen Van Wijnen aan de buitens op Rust en Vreugd begon, had de projectontwikkelaar gefortuneerde bewoners in gedachten. „Oudere mensen die groot wonen en van wie de kinderen het huis uit zijn”, vertelt Kornman. „Mensen uit het Gooi en Wassenaar die gewend zijn aan de rust van landhuizen met 10.000 vierkante meter grond en gemakkelijk drie maanden naar Zuid-Afrika gaan. Maar nu de eerste twee buitens zijn opgeleverd, blijken ze niet alleen aantrekkelijk voor ouderen. Een kwart van de kopers bestaat uit tamelijk jonge gezinnen met kinderen. Dat is wel goed voor de sfeer, vind ik.”

De vier buitens zijn ontworpen door Jos van Eldonk, een van de bureaupartners van Sjoerd Soeters. „We wilden een eigentijdse architect”, zegt Kornman over deze architectenkeuze. „We wilden geen kopieën uit het verleden. En elk buiten moest ook een eigen identiteit hebben.” De door Van Eldonk ontworpen buitens, die alle vier verschillend zijn en rondom een Engelse tuin met een vijver liggen, zijn duidelijk verwant met die van Soeters in Zwanenwoud. Ze zijn monumentaal en bevatten verwijzingen naar de Amsterdamse grachtenhuizen en het oude raadhuis van Wassenaar. Op de dakranden van het enige witte buiten zijn vreemdsoortige pinakels geplaatst.

De woningen variëren in omvang van 160 tot 320 vierkante meter en hebben een hoogte van drie meter. Onder de vier gebouwen ligt een parkeergarage, waarin elke bewoner een afsluitbare plek heeft gekregen. „Groot genoeg voor twee Bentleys”, zegt Kornman. Via de parkeergarage kunnen de bewoners naar het zwembad en fitnessruimtes. Ook kunnen de bewoners gebruikmaken van het restaurant dat hoort bij de zorgappartementen die aan de overzijde van de Engelse tuin liggen. „Verder is de behoefte aan gemeenschappelijke voorzieningen niet zo groot, zo bleek uit raadplegingen van mogelijke klanten tijdens het ontwerp”, vertelt Clara van Harinxma van PlanProject die bij de verkoop van Groot Hoogelande adviseert. „Veel verder dan elkaar goedendag zeggen wil men niet gaan. Ook bestond er nauwelijks behoefte aan ‘domotica’-voorzieningen als slimme koelkasten in de garage waar leveranciers de bestellingen in zouden kunnen plaatsen.”

Waar de bewoners wel veel waarde aan hechten is veiligheid, vertelt Kornman. „Bijna alle bewoners hebben wel vervelende ervaringen met inbraken en dergelijke achter de rug. Veiligheid gaat ze boven alles. Daarom zijn de woningen op de bovenste verdiepingen van de buitens het populairst. En de deuren zijn dik en voorzien van goede sloten.” Maar het verlangen naar veiligheid van de bewoners heeft er niet toe geleid dat er een hek om Groot Hoogelande is geplaatst. „Een hek geeft alleen maar schijnveiligheid”, zegt Kornman. „Wel zijn de deuren heel dik en de sloten buitengewoon goed.”

Doordat Groot Hoogelande grenst aan Rust en Vreugd kunnen de kopers van een van de ‘gestapelde landhuizen’ onvervalst landstedelijk wonen. Vooral door het uitzicht krijgen ze een landgoedgevoel. Zonder uitzondering kijken de Groot Hoogelanders uit op een pastorale weide met paarden en schapen en zien ze in de verte een dicht bos. Het is alsof ze op het platteland wonen, maar altijd weten ze ook dat de A44 een paar straten verderop loopt en dat een autotochtje naar het centrum van Den Haag niet langer dan een minuut of vijftien duurt.