Hoe hoger de staart van de wolf, hoe groter zijn rol

Een wolvenroedel is net een familie, zegt Barry Braden. Het alfa-mannetje is de baas. Medelijden met de omega’s is misplaatst. „Die zijn ook nodig.”

De ketting is lang en van staal. „Ik neem liever geen enkel risico”, zegt Barry Braden (40). Hij bedoelt: Atka is misschien aan mensen gewend, maar is en blijft een wolf. Een roofdier. Een vleeseter bovendien.

Als Braden door zijn hurken gaat voor de foto, likt Atka agressief met de centimeters lange tong aan zijn gezicht. Braden wil dat niet, om bovengenoemde reden. Hij staat op. Atka ziet het als een uitnodiging om te springen en hapt naar de neus van het baasje. Braden reageert snel, wendt zijn gezicht af en geeft een corrigerende hijs aan de ketting. Niet dat het iets verandert aan Atka’s gedrag, typisch voor een wolf in een ondergeschikte positie. „Hij kan er ook niets aan doen”, praat Braden het gedrag goed. „Hij weet niet beter, hij doet wat zijn instinct hem ingeeft.”

Braden leidt het Wolf Conservation Center (WCC). Hij zorgt ervoor dat de vier werknemers en honderd vrijwilligers weten wat ze in het centrum te doen staat, dat donateurs doneren, dat de wolven in leven blijven en dat er zo nu en dan één uitgezet kan worden in de natuur. Als hij een promotieverhaal houdt, heeft hij vier showwolven tot zijn beschikking, zoals Atka. Daarnaast zijn er elf wolven die ver van mensen gehouden worden.

Het WCC is een van de succesvolste wolvencentra in de Verenigde Staten. Het is gevestigd op een uur ten noorden van de stad New York, in het groen, aan het einde van een straat waar de bewoners op hun grasmaaier zitten om hun uitgestrekte gazon netjes bij te werken. De buurt moest in 1999 wel even wennen aan de wolven in de achtertuin, vertelt Braden. Maar nu doneren ze, doen ze vrijwilligerswerk. En de honderden meters aan metershoge stalen hekken zorgen voor een gevoel van veiligheid voor de buurtbewoners.

Het centrum kent een ongebruikelijke geschiedenis. Het is gesticht door de jonge Franse concertpianiste Hélène Grimaud. Zij bezit nog steeds een groot deel van de grond van het drie hectares grote terrein en geeft elk jaar een benefietgalaconcert voor de wolven. Ze schreef een boek over haar relatie met de dieren, in het Nederlands vertaald als Wildernis sonate.

Het wolvencentrum is gevestigd in een streek vol welgestelde forenzende New Yorkers. Juist hier, in het noordoosten van de VS, ging in 1893 de laatste wolf dood. Het was niet meer dan een regionale mijlpaal in een landelijk verhaal van systematisch uitmoorden van het gevaarlijke dier. Het dieptepunt – door sommigen gezien als hoogtepunt – werd eind jaren negentig van de vorige eeuw bereikt. Toen kende alleen de tegen Canada aangelegen staat Minnesota nog wolven. Vijfhonderd waren dat er, terwijl er in de hele VS er ooit een kwart miljoen leefden.

Dat was voordat de Europeanen zich vanaf 1620 in dit toenmalige beloofde land vestigden. Zij konden of wilden niet zoals de Indianen met de dieren omgaan. De uitroeiing werd geïnstitutionaliseerd toen de Amerikaanse president Thomas Woodrow Wilson in 1919 opriep tot het doden van wolven op federaal land. Pas in 1973 veranderde deze verhouding tussen de mens en het in het nauw gedreven dier. De wolf werd op de lijst van bedreigde diersoorten geplaatst en in 1995 werd de eerste wolf weer in de natuur geplaatst. Niet dat schapenhoeders en veehouders er zo gelukkig mee zijn. Pas nadat organisaties zoals het WCC beloofden elk door een wolf gedood dier tegen marktwaarde te vergoeden, gingen ze mokkend overstag.

De herintroductie van de wolf is vechten tegen de bierkaai, zegt Braden. Mensen houden niet van wolven. Er zijn simpelweg te veel mythes over de wolf om het beest op waarde te kunnen schatten. Ruwweg vallen ze uiteen in twee categorieën. Het ene beeld van de wolf is dat van de grote boze wolf, van de weerwolf, van de wolven die in Disney-films kleine meisjes met grote ogen bedreigen. Denk aan Peter en de Wolf van Prokofiev. Aan de Drie Kleine Biggetjes. „En aan Roodkapje, maar zij bestaat niet echt”, benadrukt Braden. Zijn Wolf Conservation Center verkoopt bumperstickers over de Amerikaanse variant van het sprookje. „Little Red Riding Hood LIED”, schreeuwen de stickers. Roodkapje is een leugenaar.

Het andere beeld is dat van de „godachtige, nobele beschermer van het universum”. Vooral Indianen en Eskimo’s grossieren in verhalen over de wolf die dieren aankunnen die twee keer zo groot zijn en die door alleen de oudste en zwakste kuddegenoten aan te vallen een gevoel voor de juiste verhoudingen demonstreren. En dan heeft Braden het nog niet eens over de film Dances with wolves , bedolven onder de Oscars, mede dankzij de verering van de wilde beesten.

„Ik wil wolven verketteren noch ophemelen”, zegt Braden. „Ik wil dat we ze zien zoals ze zijn. Een dier met een taak.” Omdat de wolf bovenaan de voedselketen staat (hij heeft immers nauwelijks vijanden, behalve de mens), heeft de diersoort een regulerend effect op het ecosysteem waarvan ook de mens deel uitmaakt. Kuddes herten, kariboes en bizons worden ontdaan van hun zwakste leden. En kijk naar wat er gebeurde sinds de wolf verdween uit het Amerikaanse landschap. Herten hebben de eigenschap samen op één plek te blijven staan totdat de grond is kaalgevreten. Op plekken waar de wolf weer terug is, moeten kuddes weer bedachtzaam zijn, blijven bewegen. Daardoor eten ze op verschillende plekken een beetje, in plaats van veel op één plek. Gewassen verdwijnen daardoor niet langer blijvend.

Wolven opereren zelf in een roedel. De opbouw is vergelijkbaar met een menselijke familie. De kern van de roedel wordt gevormd door de ‘alpha male’ en zijn ‘alpha female’. De rest van de roedel bestaat uit hun nakomelingen. Gewoonlijk is een roedel zes tot zeven leden groot. Zij kennen hun plaats in de hiërarchie. Hoe hoger de staart, hoe belangrijker de rol. De alpha male houdt de staart het hoogst. Zijn oren staan omhoog. Het zogeheten alfapaar maakt de keuzes, anderen volgen. Discussie is niet mogelijk. Ter bevestiging van hun ondergeschikte rol likken ze in het gezicht van de alfa of bijten ze in zijn snuit. Net zoals Atka probeerde bij zijn baas Barry Braden.

Wolvenkenners zoals Braden zien grote overeenkomsten met de menselijke familieopbouw. „De roedel is een familie. Er is loyaliteit. Er zijn overlevingsmechanismen nodig om binnen de groep in stand te houden. Er is een rolverdeling. De een kan goed jagen, een ander babysitten. En iedereen heeft een bepaalde mate van vasthoudendheid, wil met alle familieleden door een deur kunnen. Overleven.”

De wolf kent het menselijke generatieconflict niet. Iedereen in de roedel respecteert de rolverdeling, een andere rol wordt niet nagestreefd of bevochten. Toch is de hiërarchie constant in beweging door de geboorte van nieuwe jongen. Bovendien vertrekken de jongen na twee à drie jaar om met weglopers van andere roedels een nieuwe groep te stichten.

Zoals er een alfa is, is er een omega. Maar dan onderaan de rangorde. Op verzoek laat dit jong zich vallen, biedt hij zich op de rug liggend aan. Soms gaat dit met geweld gepaard. „Toch is medelijden met een omega misplaatst”, zegt Braden. Die zijn ook nodig in een groep, vindt hij. Om het spelen te initiëren, om de onderlinge spanningen te neutraliseren. „En ze hebben een vol leven. Ze jagen, vechten en worden regelmatig door een bizon of kariboe tegen het hoofd getrapt.”

Braden is ambivalent ten opzichte van de dieren. Hij ziet overeenkomsten – „als ik naar ze kijk, zie ik mijn familie” – maar hij zegt tegelijkertijd niet van de wolven te houden. De neiging van huisdierenbezitters om menselijke emoties op hun dier te plakken („mijn hond heeft een slechte dag”) zegt hij niet te hebben. De afstand tot de dieren blijft groot, want de wolven zijn extreem bang voor mensen. Er gaan weken voorbij dat ook de werknemers van het centrum de elf wolven die ooit uitgezet moeten worden niet zien. Het enige contact verloopt dan via het langs de weg aangetroffen dode hert dat over het hek wordt gegooid.

Tegelijkertijd zijn er in het WCC vier, zoals Braden ze noemt, ‘ambassadeurswolven’. Deze wolven zullen nooit uitgezet worden omdat ze te veel contact met mensen gehad hebben. Misverstanden kunnen dan gemakkelijk ontstaan, als de wolven de bewoonde wereld opzoeken.

Braden ontkent een band met de ambassadeurswolven te hebben, maar hij praat wel tegen ze. „Je bent van ons geschrokken hè, Lucas”, zegt hij hardop wanneer een wolf zich niet laat zien aan de bezoekers. „Daarvoor bied ik mijn verontschuldigingen aan. Ik had ons even eerder bij je moeten aankondigen.” Daarna imiteert Braden wolvengehuil. Een reactie blijft uit. „Het is ook veel te warm voor ze.”

In Braden komen niet alleen tegenstrijdige gevoelens samen over de relatie tussen mens en wolf. Hij laat ook zien welke Amerikanen tegenwoordig met de zo goed als uitgestorven dieren omgaan. Zijn assistente was makelaar van bedrijfspanden. En hij is ook geen dierenliefhebber van huis uit. Tot het uiteenspatten van de internetbel werkte hij in Silicon Valley bij technologiebedrijven. Die jaren maakten het mogelijk dit werk nu te doen, zegt hij glimlachend. „Ik geef mezelf hier nu een jaarinkomen van 25.000 dollar”, zegt hij. „Dat verdiende ik eerst per maand.”

Ook de omgang met twijfels, overgenomen uit de sport- en zakelijke wereld, zijn doorgesijpeld in het dagelijkse werk van het Wolf Conservation Center. De organisatie maakt gebruik van een ‘ethisch adviseur’. Een professor van de prestigieuze Tufts-universiteit komt regelmatig langs en laat zich vaker nog telefonisch consulteren door de werknemers. Zoals laatst, toen wolf F838 na jaren van een bijna onzichtbaar verblijf op het wolvencentrum uitgezet werd in de natuur van Arizona. Stel nou dat de wolf het niet zou overleven, dat na een dag of tien zou blijken dat F838 helemaal niet op wild kon jagen? Was het dan wel verantwoord het beest uit te zetten? Braden zat ermee in zijn maag. „Erg menselijke gevoelens over een onmenselijke diersoort.”